);

Zondag 28 november 2022

Eerste zondag van de advent

Met de advent begint een tijd van uitzien en verlangen naar de komst van de Heer. Die komst, zo zeggen de adventslezingen ons, is tweevoudig:
Er is de komst van Christus bij zijn geboorte uit de Maagd Maria. Dat is de komst van Gods Zoon in de geschiedenis en in de tijd. Maar er is ook de komst, of de wederkomt, van Gods Zoon, in heerlijkheid, op het einde van de geschiedenis, bij de voleinding van de tijd.

De lezingen van deze zondag helpen ons om ons op die tweevoudige komst voor te bereiden, meer in het bijzonder vanuit de drie goddelijke deugden geloof, hoop en liefde. In de eerste lezing staat het geloof centraal, of: het vertrouwen in de vervulling van Gods belofte? Gedurende eeuwen heeft het volk van Israël uitgekeken naar de komst van de Messias. Die verwachting en dat verlangen is een daad van geloof geweest: het geloof dat God zijn beloften waarmaakt. Hij heeft een Messias beloofd die heil en verlossing brengt. Zo moet ook het geloof van de christen zijn: God doet zijn woord gestand, en wij zullen het heil ontvangen dat Hij ons beloofd heeft.

In de tweede lezing maant Paulus ons aan om te groeien in de liefde voor elkaar. Ook de liefde is een goddelijke deugd. Zij reinigt en zuivert ons. Zij maakt ons heilig zodat wij onberispelijk voor de Heer kunnen verschijnen bij zijn komst. In het evangelie spoort Jezus ons aan om vast te houden aan de hoop, te midden van de catastrofes en tegenslagen die we ondergaan. Onheil kan ons treffen waardoor we de moed verliezen in dit leven. Angst kan ons verlammen zodat we geen voortgang meer maken in dit leven. Radeloosheid kan ons in verwarring brengen waardoor we de richting van ons leven verliezen. Zorgen kunnen onze geest bedrukken waardoor wij afgestompt en als in een nevel door het leven gaan. En dan vragen we ons af: waar blijft God met zijn beloofde heil? Heeft Hij ons niet leven, zelfs eeuwig leven beloofd?

Het geloof, de liefde en de hoop zijn dan de wijze waarop wij het heil tegemoet kunnen zien in omstandigheden die ons er aan doen twijfelen dat God zijn belofte gestand doet. “Richt u op”, zegt Jezus, “en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing komt nabij”. ‘Zich oprichten’ en ‘het hoofd omhoogheffen’ is ook ‘de ogen opslaan’ om te zien, te geloven en te hopen, wat voor velen onzichtbaar blijft: namelijk, dat Gods heil ook tot ons komt te midden van beproevingen en de tegenkantingen in dit leven. De hemel, broeders en zusters, wordt door God gebouwd op de ruïnes van deze wereld.

Met geloof, hoop en liefde bereiden wij ons dus voor op de komst van Gods Zoon en met Hem ook ons heil. Maar dat is niet altijd eenvoudig. Daarom zijn er nog versterkende middelen nodig. Jezus heeft ze genoemd: waakzaamheid en gebed; en wel altijd, op elk moment. We zeggen wel eens dat we schaapjes moeten tellen wanneer we niet kunnen slapen en ’s nachts wakker liggen. Maar onlangs kwam ik deze spreuk tegen: als je niet kan slapen, tel dan niet de schaapjes, maar praat met de Herder. Dat is waken en bidden. Het zijn de draagstokken van ons geestelijk leven. Zij ondersteunen ons en doen ons verder gaan. Zij houden ons geloof wakker, onze liefde daadkrachtig, onze hoop levendig, waardoor ons hart allert blijft voor het heil dat ons is aangezegd. Er zijn vele contemplatieve religieuzen die ’s nachts opstaan om te waken en te bidden voor de kerk en voor de wereld, voor u en voor mij. Wanneer wij slapen, zijn zij wakker. Wij mogen ons niet in slaap laten wiegen door de genoegens van deze wereld, ons niet in een roes laten brengen door een zinnelijk bestaan. Laten ook wij waken – wakker zijn – en bidden, en leven in de tegenwoordigheid van de Heer altijd en op elk moment. Niet de schaapjes tellen, maar praten met de Herder. En dan zullen wij Hem ook vinden, binnenkort, in een kribbe, in een stal, nederig en verscholen, maar eens, op het einde van de tijden, verheven op een wolk, zetelend op een troon, in macht en in heerlijkheid. Amen.