);

Dinsdag 7 mei 2019

Herwaardering voor een vergeten cineast en een abdijfilm

In de late jaren 1920 werd Carlo Queeckers als een van de belangrijkste Belgische cineasten beschouwd. Helaas zijn de meeste van zijn films verloren gegaan. De enige uitzondering is Het leven eener groote abdij, een film uit 1930 over de abdij van Tongerlo. Queeckers’ stilistisch opmerkelijke film zonk volledig weg in de vergetelheid. CINEMATEK, het Koninklijk Belgisch Filmarchief, maakte een digitale versie van Het leven eener groote abdij, wat de aanleiding vormde om voor het eerst een grondig onderzoek uit te voeren naar de film en zijn maker. Dit gebeurde in de context van het Onderzoeksseminarie Film aan de Masteropleiding Theater-en filmwetenschap van de Universiteit Antwerpen. Film en onderzoek worden op 8 mei voorgesteld in Cinema Zuid te Antwerpen, en op 22 mei in de bibliotheek van Westerlo.
Het idee om een film te maken over de norbertijnenabdij van Tongerlo ontstond in de nasleep van een zware brand die de abdij in 1929 gedeeltelijk verwoestte. Een groep kloosterlingen schreef een scenario voor een film waarvan de opbrengsten zouden dienen voor de herstellingswerken. Men vond in de toen 24-jarige cineast Carlo Queeckers de ideale kandidaat om de klus te klaren.

De in Brussel geboren filmmaker Carlo Queeckers (1906-1969) werd op dat moment geprezen om zijn ritmische stadsfilms Vlaamse kermis (1929) en Brusselse melodie (1929). Queeckers gold als een vertegenwoordiger van de avant-garde in de Belgische film en werd in één adem genoemd met Henri Storck en Charles Dekeukeleire. Na de Tongerlofilm in 1930 maakte Queeckers enkele films in Portugal. Le mas d’Icare (1934), een illustratie van een muziekstuk van Paul Gilson, is voor zover bekend zijn laatste realisatie.

De abdijfilm is Queeckers’ enige bewaard gebleven film. De filmproductie was een grootse onderneming. Overgeleverde production stills laten bijvoorbeeld een grote houten stelling zien van waarop de panoramische beelden werden gedraaid. De brand werd nagebootst door een maquette te laten afbranden. De film werd ook gemaakt met een groot aantal (wellicht 800 à 1.000) figuranten, veelal dorpelingen uit de buurt. De grote sterspelers zijn evenwel de paters zelf. Ze vertolken de rollen van allerhande personages in de historische scènes maar spelen ook zichzelf in de eigentijdse passages.

De film opent met beelden van de wilde Kempen in de twaalfde eeuw, net voor de stichting van de abdij. Wat volgt is een aaneenschakeling van belangrijke historische gebeurtenissen in de geschiedenis van de abdij zoals de stichting, de opstand tegen het Oostenrijks bewind, de uitdrijving van de kloosterlingen tijdens de Franse Revolutie en de terugkeer in 1840. De film springt dan naar de hedendaagse tijd om de kijkers een blik te gunnen in het dagelijks leven van de kloosterlingen. Het laatste gedeelte richt zich op de de brand en de wederopbouw van de abdij.

De film valt stilistisch op in zijn voorliefde voor de long take, terwijl camerabewegingen en tableaus volop de diepte van het kader bespelen. Queeckers zocht duidelijk aansluiting bij de Europese kunstfilm. De film bevat ook enkele sequenties met een ritmische montage die aan de Sovjetcinema herinnert. Het leidt tot een vrij eclectisch maar steeds vakkundig resultaat, waarbij Queeckers erin slaagt om de visie van zijn opdrachtgevers te verzoe

nen met zijn eigen kunstenaarschap.

Er werden verschillende versies van de film uitgebracht en gedurende de volgende decennia werd er meerdere keren in de film geknipt. Dit maakte een reconstructie van de film er niet makkelijker op. De film die vandaag beschikbaar is, werd geconstrueerd door de overgeleverde filmfragmenten te vergelijken met wat er in de contemporaine pers over de film werd geschreven en andere historische documentatie. Vermoedelijk ontbreekt nog steeds een deel over de kunstschatten van de abdij.

De film kan niet los van zijn katholieke context gezien worden. De katholieke beweging kende in de jaren 1920 een dubbelzinnige houding tegenover het filmmedium. Enerzijds gold de filmwereld als een ‘school van verderf’ en trachtte men films en bioscopen te controleren via de oprichting van allerlei instanties. Anderzijds zag men in katholieke kringen ook het instructieve en creatieve potentieel van films in. Vanaf het begin van de jaren 1920 lieten diverse congregaties films vervaardigen over hun werking. Het leven eener grote abdij is één van de meest ambitieuze films binnen deze traditie en is dringend aan een herontdekking toe.

De film moest de herstellingen na een zware brand van 1929 helpen betalen.
Op het voorplein werd een groot staketsel gebouwd om overzichtsbeelden te kunnen filmen.
Medebroeders speelden mee in de film, als historische figuren of gewoon zichzelf.
Het leven eener groote abdij (1930)

Realisatie: Carlo Queeckers
Stille film, zwart-wit, 120’
DCP gebaseerd op 35mm-kopie en enkele fragmenten op 16mm, CINEMATEK Brussel

Filmvertoningen met live pianobegeleiding en voorafgaand presentatie van het onderzoek:

Woensdag 8 mei om 20u00 in Cinema Zuid te Antwerpen: website
Woensdag 22 mei om 20u00 in de bibliotheek van Westerlo: website