Paasweek 2018

Paasvespers in de abdij van Tongerlo.

Tijdens de paasweek worden de vespers in de abdij op plechtige wijze gevierd.

Het paasmysterie behoort tot de kern van ons geloof. De Kerk viert en gedenkt dit paasmysterie het hele jaar door en met name in elke viering van de eucharistie. Maar het heilige paastriduüm van ’s Heren lijden, sterven en verrijzenis is als het hoogtepunt van heel het liturgisch jaar. De paas­vreugde van de Kerk deint echter na Pasen verder uit. De vijftig dagen vanaf Verrijzeniszondag tot Pinksteren moeten in vreugde en gejubel gevierd worden als één enkele feestdag, ja, als de grote dag des Heren.

De eerste acht dagen van de paastijd vormen het paasoctaaf en worden gevierd als hoogfeesten des Heren. In de abdij van Tongerlo doen we dit op de wijze die eigen is aan de liturgische traditie van de orde der norbertijnen. De oorsprong van deze bijzondere viering gaat terug op de liturgie van Jeruzalem in de vijfde eeuw en zelfs vroe­ger. Tijdens de paasweek bezochten de pasgedoopten daar met de bis­schop en het ganse volk dagelijks in processie de heilige plaatsen die met de kruisdood en de verrijzenis van Christus te maken hadden. Dit liturgisch gebeuren beïnvloedde dan weer de paasvespers in de basiliek van Lateranen te Rome, met dit verschil dat men nu met de pasgedoop­ten in processie naar de plaatsen trok waar tijdens de paasnacht het doop­sel en het vormsel toegediend waren. Vele plaatselijke kerken in het Westen namen dit mooie gebruik over, als een dankviering voor het doopsel waardoor de christenen “met Christus zijn begraven, maar ook met Hem verrezen” (Kol. 2,12).

Terwijl in de Romeinse liturgie deze doopvespers in onbruik raakten, zijn ze in de liturgie van de norbertijnenorde blijven voortbestaan tot op de huidige dag. Door de vernieuwde aandacht van het Tweede Vaticaans Concilie voor het paasmysterie en voor de betekenis van het doopsel waardoor de christenen deelhebben aan Chris­tus’ Pasen, is dit aloude gebruik verrassend actueel geworden.

 

Opbouw.

De paasvespers, zoals ze in Tongerlo gevierd worden volgens de liturgi­sche traditie van de norbertijnenorde, bestaan uit drie delen:

1) het eigenlijke avondgebed;

2) processie naar het doopwater met gebedsmoment aldaar;

3) processie naar het kruis met eveneens een gebedsmoment.

Het eigenlijke avondgebed.

Zoals bij elke gebedsstonde in de paastijd zingen we biddend onze vreug­de uit om Christus’ verrijzenis.

Terwijl het paaskyrie wordt gezongen komt de gemeenschap de kerk binnen.  “Kyrie eleison”,  “Heer, ontferm U”: met deze aanroeping richten we ons tot Christus, de verrezen Heer, van wie we aan het eind van de viering zullen zingen met Paulus’ woorden: “God heeft Hem hoog ver­heven en Hem de naam verleend die boven alle namen is: Jezus Christus is de Heer” (Fil 2,9-11).

Dan zingt men psalm 110, de Messiaanse psalm die elke zondag in het avondgebed voorkomt en die we op Christus mogen toepassen: Hij leeft en “zetelt aan Gods rechterhand” (1 Petr. 3,22).

Als antifoon wordt, evenals bij de andere psalmen, het alleluia gezong­en, de paaskreet bij uitstek van de Westerse Kerk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na de korte schriftlezing, waarin uiteraard de paasboodschap weerklinkt, antwoorden we met het gregoriaanse “Haec dies”, een zin uit paaspsalm 118: “Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt, laat ons hem vieren in blijdschap”. De paasjubel wordt verder gezet in het alleluia dat onmid­dellijk volgt, met een vers dat eigen is aan de dag.

Daarna zingen we, zoals elke dag in het avondgebed, het “Magnificat”, het danklied van Maria en van de Kerk. Dit danklied krijgt in de paastijd zijn diepste betekenis , nu de Kerk vol vreug­de is om het paasmysterie waaruit zij is voortgekomen: “wonderbaar is het, wat Hij mij deed, de Machtige, groot is zijn Naam”  (Lc. 1,49). De antifoon bij het Magnifi­cat verwijst naar het evangelie van de dag.

Zoals op elke dag volgen dan de slotgebeden, het Onze Vader en het afsluitend gebed.

 

Processie naar het doopwater.

Na het eigenlijke avondgebed begeeft de gemeenschap zich naar het water, dat tijdens de paaswake werd gezegend voor de doopherdenking en voor de hernieuwing van de doopbeloften en de geloofsbelijdenis. Ondertussen zingen we psalm 114: “Toen Israël uit Egypte vertrok …”, terwijl we eraan denken dat wij christenen sin

 

ds ons doopsel weggetrok­ken zijn uit de slavernij van de zonde en het kwaad. Het water van ons doopsel is voor ons bron van leven geworden. Als we bij het water aan-komen, weerklinken dan ook de laatste verzen van deze psalm: “God maakt rotsige grond tot een waterpoel en harde steen tot een bron”.

 

Op de lezing die spreekt van ons doopsel, antwoorden we met een alle­luia en een vers dat naar de liturgie van de volgende dag verwijst. On­dertussen wordt het water bewierookt. Tenslotte spreekt de voorganger een gebed uit.

 

 

Processie naar het kruis.

Terwijl de gemeenschap zich dan naar het kruis begeeft, wordt de lof­zang uit het boek der Openbaring gezongen, waarin alweer het paasmys­terie van Christus en zijn Kerk weer­klinkt: Christus is het Lam Gods, Hij heeft zijn leven voor ons gegeven; en wij, die door ons doopsel met Christus zijn be­kleed” (Gal 3,27), vormen de Kerk, de bruid van het Lam.

 

Zo komt de gemeenschap aan bij het kruis, dat sinds Jezus’ kruisdood “teken van ons heil” is geworden, “onze levensboom”. Want “op het kruis werden de machten van het kwaad gebonden, werd onze dood ge­dood”  (prefatie van Kruisverheffing).

Bovendien worden we, nadat we bij het water ons doopsel hebben her­dacht, hier bij het kruis herinnerd aan ons vormsel, toen de vormheer ons de handen oplegde en met het heilig Chris­ma een kruis tekende op ons voorhoofd.

Na een lezing waarin over het kruismysterie wordt gesproken, antwoor­den we met de woorden van Paulus in de Romeinenbrief: “Chris­tus resurgens …”, “Christus, uit de doden verrezen, sterft niet meer: de dood heeft geen macht meer over Hem”. Het kruis is voor ons het teken van Christus’ overwinning op de dood geworden. Tijdens deze zang wordt het dan ook bewierookt. Tenslotte bidt de voorganger een passend gebed.

Dan komt het slotvers van de ganse viering als echo en bevestiging van de intredezang: “God heeft Hem hoog verheven … Jezus Chris­tus is de Heer”  (Fil. 2,9-11).

Zoals elke avond besluiten we met een groet aan Maria, de moeder van de Verrezene: “Regina Caeli  …”, “Koningin van de hemel, verheug u, omdat Hij die gij hebt mogen dragen, verrezen is, zoals Hij gezegd heeft”. We vragen Maria voor ons te bidden, opdat wij die de verrijzenis vieren van haar Zoon, zijn beloften en onze roeping waardig mogen worden.

Dat wenst onze gemeenschap u, die met ons komt meevieren, ook toe.