);
In de tijd waarover het boek van de profeet Jesaja het heeft was het oorspronkelijk koninkrijk van Israël (zoals dat bestond onder koning David en koning Salomo) opgesplitst in twee: het koninkrijk Israël in het noorden en het koninkrijk Juda in het zuiden, met Jeruzalem als hoofdstad. Het is in het sterfjaar van koning Uzzia van Juda (740 vr. Chr.) dat Jesaja tot het profetenambt geroepen wordt en in Jeruzalem als profeet optreedt.
Beide koninkrijkjes Israël en Juda stonden in de schaduw van grote buur Assyrië. Ze hadden niet zoveel te beteken en dienden hun heil te zoeken in coalities om enigszins blok te kunnen vormen. Israël sloot een bondgenootschap met Syrië en wilde ook dat Juda zich daar bij aansloot. Toen koning Achaz van Juda dit weigerde vielen koning Resin en koning Pekach (de koningen van Syrië en Israël) Juda aan. Achaz wil daarom steun zoeken bij het machtige Assyrië.
Juda dreigde dus de speelbal te worden van de politiek der grootmachten waarom Jesaja zich met de politiek gaat moeien.
De vraag die het uitgangspunt zal vormen van Jesaja’s prediking is deze: op wie vertrouwen wij écht? Voor Jesaja is het duidelijk: het gelovige volk dient zijn vertouwen en hulp niet te zoeken bij wereldse machten, het heeft zijn heil en steun niet te verwachten van mensen. Wie gelooft vertrouwt enkel op God!
Het komt tot een kritieke ontknoping wanneer koning Sanherib van Assyrië oprukt tegen Juda en de overgave van Jeruzalem eist. Vertrouw enkel op God! blijft Jesaja roepen. De vrome Hizkia gehoorzaamt en Jeruzalem wordt niet ingenomen. Wie zijn vertrouwen stelt op God, die wordt beloont, zo luidt de boodschap.
Maar ook nu blijft de boodschap van (de Tweede) Jesaja dezelfde: hij blijft de profeet van het geloof en het vertrouwen op God. God is immers groot en machtig. Hij doet zijn heerschappij gelden.
Hij is het die de geschiedenis beheerst. De wereld ligt in zijn hand. Het zou daarom een vanzelfsprekendheid moeten zijn om zich in tijden van nood tot de Heer te richten en enkel te vertrouwen op Hem. In dezelfde toonaard zingt de psalmist: “Want beter is het te gaan tot de Heer, dan op een mens te vertrouwen; en beter is het te gaan tot de Heer, dan te vertrouwen op vorsten” (Ps. 118,8-9). Wie zijn hulp elders zoekt, die geeft blijk van een gebrek aan vertrouwen in God en van afvalligheid.
‘Jesaja’ betekent in het Nederlands ‘De Heer is verlossing’ en dat geeft meteen de algemene teneur weer van de inhoud van dit profetenboek. Te midden van de dreiging van oorlog, buitenlandse agressie en overheersing, spoort de profeet Jesaja, zoals gezegd, aan op vertrouwen en hoop op de Heer. Israël moet zijn heil zoeken bij de Heer, niet bij mensen. Want alleen de Heer kan verlossing brengen, niet de mens. Verlossing komt per definitie van de Heer en van Hem alleen: enkel de Heer is Verlosser, Heerser en Koning.
In het verlengde hiervan spoort de profeet Jesaja aan op bekering van zonde, van boete en berouw, van vasten en aalmoezen.
“In rust en berouw ligt uw redding,in geduld en vertrouwen ligt uw kracht.’ (Jes. 30,15)
Een terugkeer naar de Heer is immers broodnodig wil men van de Heer ook heil en verlossing verwachten. God wil zijn volk beschermen maar verwacht doorvoor in ruil een heilige levenswandel. Daarom klaagt Jesaja sociaal onrecht aan, de verkrachting van de wet en de schijnheilige beleving van de cultus.
Vooral in de lezingen voor de eucharistie laat Jesaja zijn stem horen: valse vroomheid, onrechtvaardigheid, dubbelheid van hart en tong zijn een gruwel in Gods oog. Het niet naleven van Gods wetten en geboden is arrogantie betonen jegens God. Dat is geen manier om verlossing te zoeken en te bekomen!
Daarom doorprikt Jesaja de valse godsdienstige vroomheid vraagt en roept hij op tot echte bekering.
Voor wie oprecht van hart is, voor wie het juiste vasten naleeft, voor wie rechtvaardig leeft en Gods gebiedend woord eerbiedigt stelt God wél verlossing, troost, zegening en heil in het vooruitzicht. God laat zijn volk niet in de steek en kondigt de profeet Jesaja de komst van de Messias aan die de getrouwen van God zal komen verlossen.
Die komst van de Messias doet een nieuwe tijdperk aanbreken waarin gerechtigheid zal triomferen. Een tijdperk waarin vrede zal heersen, niets meer te vrezen valt en heel de schepping tot harmonie zal komen onder het wijs beleid van de Messias.
“De wolf en het lam wonen samen, de panter vlijt zich neer naast het bokje, hget kalf en de leeuw weiden samen: een kleine jongen kan ze hoeden. De koe en berin sluitenvriendschap, hun jongen liggen bijeen. De leeuw eet haksel als het rund, de zuigeling speelt bij het hol van de adder, het kind strekt zijn hand uit naar het nest van de slang.
Niemand doet nog kwaad of handelt nog verderfelijk op heel mijn heilige berg. (Jes. 11,6-9).
Het spreekt dan ook voor zich dat de teksten van de profeet Jesaja een belangrijke rol spelen in de periode van de advent waarin wij allen hoopvol verlangend uitzien naar de (weder)komst van de Messias.
Introïtus 2de zondag van de advent:
“Volk van Sion, ziet! De Heer zal komen om alle naties te redden: en de Heer zal u de heerlijkheid van zijn stem laten horen, tot vreugde van uw harten.” (Jes. 30, 19.30)
Communio 4de zondag van de advent:
“Zie de jonge vrouw is zwanger en zal een Zoon ter wereld brengen, en gij zult hem de naam Immanuel geven” (Jes. 7,14)
Hymne Rorate Caeli
“Hemelen laat uw hoogten druipen en gerechtigheid uit de wolken stromen. Aarde open uw schoot, laat het heil ontbloeien en gerechtigheid ontkiemen. Ik de Heer heb dat alles geschapen” (Jes. 45,8)
Communio van de nachtwake van Kerstmis
“De heerlijkheid van de Heer zal zich openbaren, en alle mensen zullen hem zien” (Jes. 40,5)
Introïtus van de dagmis van Kerstmis
“Want een kind wordt ons geboren, een Zoon wordt ons gegeven” (Jes. 9,5)