Kerstmis: het mysterie van de menswording

Met Kerstmis viert de Kerk de Geboorte van Jezus Christus. In deze catechese willen we het geloofsmysterie van dit grote feest vanuit een bijzondere invalshoek wat verder toelichting: de Menswording of incarnatie.

Jezus, het mensgeworden Woord van God.

De vier evangelisten van het Nieuwe Testament verkondigen allemaal dat Jezus de Messias is. Hij is de Zoon van God. Maar naast deze gelijkluidende boodschap hebben de evangelisten ook ieder eigen accenten gelegd in hun evangelie. Elk op hun eigen manier vertellen zij hoe Jezus de Zoon van God is. In die zin vullen de evangelisten elkaar dus aan.

Zo vertellen alle vier de Evangelisten (Marcus, Matteüs, Lucas en Johannes), elk op hun manier, de openbaring van Jezus als Zoon van God op het moment van zijn doop in de Jordaan. De hemel bevestigt dat Jezus de Zoon van God is (Mc.1,1-13; Mt.3,13-17; Lc.3,21-22; Joh.1,29-34).

doop_jordaan_LR (02)

Daarnaast belijden Matteüs en Lucas, onafhankelijk van elkaar, dat de openbaring van Jezus als Zoon van God reeds vroeger begon, namelijk met zijn geboorte. De hele schepping herkent en erkent als het ware de Messias in het arme kindje in de kribbe te Bethlehem. Engelen komen de Messias begroeten en zingen Gloria in excelsis; herders uit de velden met hun schapen en wijzen uit het Oosten, zelfs de dieren komen aan het pasgeboren kind hun hulde brengen (lees: Mt.1-2; Lc.1-2).

De evangelist Johannes en apostel Paulus zijn echter de kampioenen. Zij gaan nóg verder terug in de tijd wanneer zij verkondigen dat Jezus al van vóór alle tijden bij God was. We kunnen ons dat moeilijk voorstellen. Nog vóór de schepping van de wereld, nog vóór er zoets was als tijd en ruimte, nog vóór er iets bestond buiten God, was Jezus al bij God. Voor Johannes en Paulus is Jezus niemand minder dan het Woord van God (de Logos) die van alle eeuwigheid Gods heerlijkheid deelde, en in Jezus op aarde komt als mens.

kerstmis_LR (04)

Zo schrijft de evangelist Johannes bij de aanvang van zijn evangelie: In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het beging bij God.

Het Woord komt voort uit God – je zou ook kunnen zeggen: “komt te voorschijn uit God” – en treedt binnen in het sterfelijk bestaan, begrensd en eindig, als een échte mens van vlees en bloed. Dit noemen wij Menswording of Incarnatie.

Incarnatie is afkomstig uit het Latijn en betekent letterlijk in het vlees komen. In de geloofsbelijdenis bidt de Kerk: “Hij is voor ons mensen en omwille van ons heil uit de hemel neergedaald; Hij heeft het vlees aangenomen (Et incarnatus est) en is mens geworden.”

drie-eenheid_LR (01b)

Hoe kan God nu mens worden?

Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (Joh.1,14). Dit beroemde vers uit het Johannesevangelie vat meteen samen wat Kerstmis is: God heeft een menselijke gestalte aangenomen in de persoon van Jezus van Nazareth. Hij is de Christus of de Messias, d.w.z. de Gezalfde van God.

Heel vaak hebben mensen het hier moeilijk mee: Hoe kan God nu mens worden? Het hoe van deze vraag behoort tot het mysterie van het geloof; maar er is wel een antwoord op het waarom?
God wilde de mensen redden van de zonde en de dood, daarom heeft Hij zijn Zoon gezonden om de wereld met God te verzoenen.

kerstmis_LR (03b)

Geloof in de menswording is dus een wezenlijk kenmerk van het christelijk geloof: “Hieraan onderkent gij de Geest van God: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus werkelijk mens is geworden, is van God” (1 Joh.4,2). God heeft zich ten volle geopenbaard in het vlees door een menselijke gestalte aan te nemen. Dit is geen detail in het christelijk geloof.

Ook vandaag zijn er vele mensen die de incarnatie van Jezus Christus als problematisch ervaren. Religies zoals het jodendom en de islam aanvaarden niet dat Jezus de Messias is, de Zoon van God. Voor hen is het onbegrijpelijk en onaanvaardbaar dat God zich zou ‘verlagen’ om mens te worden. Maar voor het katholieke geloof is de historische persoon Jezus Christus Gods zoon zelf die een menselijk lichaam van vlees en bloed heeft aangenomen om de mensheid zo opnieuw met God te verzoenen.

Sint-Paulus schreef aan de Filippenzen zijn beroemde Christushymne rond het jaar 50. Wat in het vet gedrukt staat dat is de kern van het kerstgebeuren:

“Hij die bestond in de gestalte van God
heeft er zich niet aan willen vastklampen
om gelijk aan God te zijn.
Hij heeft zichzelf ontledigd
en de gestalte van een slaaf aangenomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.

En als mens verschenen
heeft Hij zich vernederd;
Hij werd gehoorzaam tot de dood,
de dood aan een kruis.

Daarom ook heeft God Hem hoog verheven,
en Hem de naam verleend
die boven alle namen staat,
opdat in de naam van Jezus
iedere knie zich zou buigen,
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
en iedere tong zou belijden
tot eer van God, de Vader:
de Heer, dat is Jezus Christus.” (Fil.2,6-11)

kerstmis_LR (09)

Niemand kan ontkennen dat Jezus bestaan heeft, dat is een historisch feit. Maar hoe ga je om met de persoon van Jezus Christus in je eigen leven? Aanvaard je Hem als de Messias of ga je aan Hem voorbij en heeft Hij je niets te bieden?

Jezus: God én mens. Een lat die te hoog ligt?

Je hoort vandaag wel eens zeggen dat Jezus een bijzondere mens is geweest, een morele superster, die altijd goed handelde. Als zodanig is hij een voorbeeld om na te volgen, een figuur die ons kan inspireren. Dit is natuurlijk waar, maar als we Jezus enkele en alleen beperken tot een ethische figuur dan doen we Hem fundamenteel onrecht aan. Een ethische Jezus navolgen wordt uiteindelijk ondraaglijk (want wie kan dit voorbeeld volmaakt navolgen) en al te vaak keert men zich af van de Kerk omwille van zo’n moreel Jezusbeeld. Jezus herleiden tot een deugdzaam mens biedt weinig perspectief voor ons. Men zegt dan: de Kerk legt de lat veel te hoog.

Vandaar dat we Jezus Christus niet alleen in zijn volle menselijkheid maar ook in zijn volle goddelijkheid dienen te aanvaarden zoals de Kerk dat al 2000 jaar lang belijdt. Jezus was in de eerste plaats de Gezondene van bij de Vader die gekomen is om de mensen te verlossen van hun zondige situatie, die de weg naar de hemel weer heeft geopend en ons getoond heeft hoe wij die weg naar de hemel kunnen bewandelen.

Als je erover nadenkt dan zet dit geloofsmysterie van de incarnatie aan tot een grote nederigheid: God die mens wordt, dat is geen evidentie. Waarom zou God letterlijk van zijn troon moeten komen en een dienaar van de mensen worden? Wel, Hij doet het uit liefde! God is geen grote boeman waarvoor we angst moeten hebben. Jezus Christus is de wereld juist komen leren dat God een Liefhebbende Vader is. Iemand aan wie we ons volledig kunnen toevertrouwen. Jezus heeft ons geleerd hoe wij tot de Vader kunnen bidden, namelijk door het “Onze Vader” te bidden.
Aan God zijn wij dus de meeste eerbied verschuldigd omdat Hij zich zo klein gemaakt heeft voor ons, mensen.

kerstmis_LR (11b)

Een wonderbaarlijk ruil.

Het verschil tussen God en de wereld, de mens is groot. Dat zien we heel goed als we enkele eigenschappen van zowel God als het geschapene op een rijtje zetten:

God (hemel) is: Mens (wereld) is:
eeuwig sterfelijk, vergankelijk
onveranderlijk veranderlijk
Schepper schepsel: vrije wil, begeerte, zonde
glorie, heerlijkheid vreugde & verdriet; lijden & pijn
vrede, liefde, leven, verlossing kent oorlog, honger, geweld

Als het verschil tussen God en mens, tussen hemel en wereld, zo groot is, ja als beide zelfs volledig aan elkaar tegengesteld zijn, is het dan niet des te verwonderlijk dat God mens is willen worden.
Zo rijst opnieuw de hamvraag: waarom is God mens geworden?

We hebben hierboven reeds een deel van het antwoord gegeven. Hij heeft zijn Zoon gezonden om de mens weer met God te verzoenen. En door zijn lijden, sterven en verrijzenis heeft de mensgeworden Zoon van God de weg naar de hemel getoond én opnieuw geopend.

We kunnen daar nog enkele beschouwingen aan toevoegen. Gods Zoon is mens geworden om de mens weer naar God te brengen, om hem op een ‘hoger plan te tillen’. De Kerk formuleert dat zelfs in straffe bewoordingen: God is mens geworden, opdat de mens weer een beetje God zou worden. Daarmee wordt bedoelt dat de mens weer deel zou krijgen aan het goddelijk leven, aan het leven in en bij God.

Met Kerstmis word de Schepper een schepsel, de Eeuwige wordt sterfelijk, Hij die in heerlijkheid troont wordt mens. Hij doet dit niet zomaar. Hij doet dat met een bedoeling. Hij doet dat opdat de schepselen weer met hun Schepper zouden worden verzoend, op de sterfelijk mens weer toegang zou hebben tot het onsterfelijke leven bij God, opdat de mens deel zou krijgen aan Gods heerlijkheid.

God hoefde dit niet te doen, maar Hij doet het toch uit liefde voor de mensen en voor de wereld. De Menswording is dus het mysterie van de wonderlijke eenwording van God met de mensheid door Jezus Christus.

hemel_hel_LR (01b)

Nederigheid.

Door de menswording heeft God zich heel klein gemaakt. Paulus (zie hierboven) noemde dat ‘ontlediging’. We kunnen het ook de ‘nederigheid‘ van God noemen. Kerstmis is daarom ook het feest van Gods nederigheid.

Wij kunnen daar alleen ontzettend dankbaar voor zijn. En onszelf ook spiegelen aan de nederigheid van God en zelf ook nederig worden. Het is niet gemakkelijk om hierbij stil te staan als we omgeven worden door de drukte van kerstmarkten, kerstmannen en festiviteiten. Toch kunnen wij er over nadenken en erover bidden.

kerstmis_LR (08)
kerstmis_LR (07)
kerstmis_LR (06)
kerstmis_LR (05)

Het gebeurt wel eens dat wij mensen uit onze kring uitsluiten: klasgenoten, collega’s, medemensen, buren, familieleden,… want we maken onszelf wijs dat we ons niet willen verwaardigen om medemens van hem of haar te worden. Nochtans is het dat wat God in Jezus Christus heeft gedaan. Kerstmis nodigt ons uit om de Menswording te bemediteren en er stil bij te staan dat God zich wel verwaardigd heeft om een medemens te worden van ons, om in dit sterfelijk bestaan te komen, om een menselijk lichaam aan te nemen, om lijden, pijn en kruisdood op zich te nemen. Hij was waarlijk mens: Hij heeft geleden, heeft afgezien, Hij is in ons midden gekomen. God heeft hier op deze aarde gewandeld en sloot niemand uit.

Vooraf aan de bovenstaande Christushymne van Paulus schreef deze het volgende: “Laat niemand alleen zijn eigen belangen behartigen, maar ook die van de anderen. Die gezindheid moet onder u heersen die ook in Christus Jezus was” (Fil.2,4-5).

En wat is die gezindheid van Christus? Een God die arm is geworden, die zich verwaardigd heeft om het meest kwetsbare te worden in de wereld: een baby, een mens van vlees en bloed, een man die verkondigt dat God liefde is. Hij was een man die geen geweld gebruikte en toch aanvaardde de wereld Hem niet. Hij werd bespot, gegeseld, gekruisigd tot de dood toe.

Maar als antwoord op het lijden van zijn Zoon heeft God Hem uit de doden doen opstaan. Dat is Pasen. In het diepste lijden, als er geen menselijke oplossing mogelijk is staat God klaar voor zijn Zoon en voor alle mensen die in Christus geloven: “Daarom ook heeft God Hem hoog verheven” (Fil.2,9)

Samengevat.

God wordt mens om voor ons een voorbeeld van heiligheid te zijn (Mt.11,29), opdat wij zo Gods liefde leren kennen (1 Joh.4,9), zodat wij deel krijgen aan Gods eigen leven (2 Petr.1,4).

Beste lezer, de incarnatie of de menswording is een diep mysterie van het christelijk geloof. Door deze catechese is het onze vurige wens dat jullie dit mysterie in jullie leven durven integreren, dan wordt Kerstmis voor u de gelovige instemming, het ja-woord aan God die zijn Zoon heeft gezonden om Vrede te brengen op aarde aan alle mensen van goede wil! Gaan wij achteloos voorbij aan het kerstekind en laten wij ons meesleuren in deze maatschappij van overconsumptie, kerstmarkten en opgekopt plezier? Of willen wij zijn zoals de herders en de wijzen die de koning begroeten aan de kribbe en vreugdevol belijden dat Jezus de Zoon van God is? Zo kan er pas écht feest zijn met Kerstmis wanneer het Kerstekind weer centraal mag staan in ons leven.

Zalig Kerstmis!

kerstmis_LR (10)

De wederkomst van Christus

Een tweevoudige komst.

Elk nieuw kerkelijk jaar begint met de adventsperiode. ‘Advent’ komt van het Latijnse adventus wat ‘de komende’ betekent. In deze periode kijken we verlangend uit naar de komst van Christus en naar het heil dat Hij zal bewerkstelligen. De teksten van de liturgie spreken echter van een tweevoudige komst, zoals de kerkvaders dat reeds deden in de eerste eeuwen.

De eerste komst is deze van Christus in de tijd. Het is de komst die wij vieren met Kerstmis, de geboorte van Christus. Hij is het Woord van God dat in de wereld komt (Joh. 1,1.9) en vlees geworden is (Joh. 1,14). De Zoon van God is zoon van Maria geworden.

kerstmis_LR (03b)

Uit haar werd hij geboren in Bethlehem (Lc. 2,1-7). We kunnen zeggen dat Jezus’ eerste komst een komst in de tijd en in de ruimte is geweest. Maar door mens te worden en geboren te worden als een kind was het ook een komst in nederigheid en zwakheid.

wederkomst christus (100) LR

De tweede komst is deze van Christus aan het einde van de tijd. Anders dan de eerste komst zal die geschieden in kracht en heerlijkheid. Over deze tweede komst die we nog te verwachten hebben, willen we het hier hebben.

In de liturgie verwijst de prefatie voor de eerste periode van de advent een duidelijke verwijzing naar de tweevoudigfe komst van de Heer:

Bij zijn eerste komst
te midden van de mensen
is Hij mens geworden zoals wij,
om te doen wat Gij eens hebt beschikt,
nog voor de tijd begon.
Hij werd voor ons de weg
die leidt naar eeuwig heil.
Eens komt Hij weer in heerlijkheid.
Dan worden al zijn gaven openbaar,
waarop wij nu reeds
met vertrouwen durven hopen.

2007-04_junioraatsreis_HR (090) (Custom)

Op het einde van de tijden..

Het is vooral de eerste zondag van de advent die onze aandacht richt op de wederkomst van Christus. Het is de komst die voorzegd is door de profeten en waarover Christus zelf ook vertelt.

De profeet Daniël bijvoorbeeld, beschrijft die komst in spectaculaire bewoordingen: “Ik zag met de wolken des hemels iemand aankomen die op een mens geleek. (…) Hem werd heerschappij gegeven, luister en koninklijke macht: alle volken, stammen en talen brachten hem hun hulde. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij die nooit vergaat, zijn koninkrijk gaat nooit ten gronde” (Daniël 7,13-14).

Het gebeuren wordt nog dramatischer voorgesteld door Jezus zelf, met vermelding van verschijnselen die zelfs een beetje dreigend en angstaanjagend overkomen: “Er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren en op de aarde zullen volkeren in angst verkeren, radeloos door het gebulder van de onstuimige zee. De mensen zullen het besterven van schrik, in spanning om wat de wereld gaat overkomen” (Lucas 21,25-26).

De wederkomst van Christus neemt dus apocalyptische vormen aan en zij zal plaats vinden ‘op het einde van de tijden’. Dat wil zeggen dat met de tweede komst van Christus ook het einde van de wereld zal ingeluid worden. Tijd en ruimte zullen ophouden te bestaan. De schepping zal ten onder gaan en plaats maken voor een nieuwe schepping. Gods rijk (dat reeds een aanvang kende in deze wereld door Christus’ eerste komst en door de Kerk hier op aarde) zal nu een definitieve gestalte aannemen.

Dan zal Christus’ heerschappij ook definitief gevestigd woorden, voor eeuwig. Heel de schepping zal aan hem onderworpen zijn, alles aan zijn voeten worden neergelegd (cf. Psalm 8,7; 1 Kor 15,24-28).

wederkomst christus (101) LR

Om te oordelen levenden en doden.

Wanneer Christus wederkeert zullen niet alleen zijn Rijk en zijn heerschappij gevestigd worden, maar zal Hij ook oordelen. Zijn komst zal een definitieve scheiding brengen tussen goed en kwaad, tussen goeden en kwaden.

Dit oordeel (dat we het Laatste Oordeel noemen of het Oordeel van de Laatste Dag), is meermaals door Christus, tijdens zijn aardse leven voorspeld:

“Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden. (…) De enen zullen heen gaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven” (Mt. 25,32.46)

Het is het ogenblik dat de waarheid over ons leven zal oplichten, het licht en de duisternis in ons leven bekend zal worden gemaakt (cf. Lucas 12,1-3; Joh. 2,19-21; Joh. 16,8-9; Rom. 2,16; 1 Kor. 4,5). Het zal tot in zijn uiterste consequenties openbaren wat iedereen tijdens zijn aardse leven aan goed gedaan heeft of nagelaten heeft te doen.

laatste_oordeel_LR (01)

En intussen?

Wanneer dit alles zich zal voltrekken is niet gekend. “Gij kent dag noch uur”, zegt Jezus meermaals (Mt. 24,42.44; 25,12). “De heer van die knecht zal komen op een dag waarop hij het niet verwacht en op een uur dat hij niet kent” (Mt 24.50). De zanger Bob Dylan heeft het mooi bezongen in zijn lied ‘When He returns’: “He unleashed His power at an unknown hour that no one knew”.

Deze onwetendheid houdt een gevaar in: we lopen het risico in slaap te dommelen en onze alertheid te verliezen. Door de wereld aangelokt dreigen we op te gaan in het heden en verliezen we onze toekomst uit het oog.

waakzaam (100) LR

Daarom roept Jezus ons op tot waakzaamheid. Bekend is de parabel van de vijf domme en de vijf verstandige bruidsmeisjes (Mt 25,1-13). De vijf domme hadden hun lampen meegenomen, maar zonder olie. Bij het wachten op de komst van de bruidegom waren ze in slaap gevallen. Maar toen men riep ‘Daar is de bruidegom!’ was het te laat. Omdat ze nog eerst olie moesten halen kwamen ze te laat of het feest en mochten er niet meer binnen

bruidsmeisjes (100) LR

Elders zegt hij het als volgt: “Zorgt er voor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven; laat die dag u niet onverhoeds grijpen als in een strik” (Lc 21,34). Zijn wij dus waakzaam? Zien wij reikhalzend uit naar de komst van de bruidegom? Zijn wij met onze aandacht bij de Heer?

Maar waakzaamheid is niet het enige. In de eucharistie, onmiddellijk na de consecratie, spreekt de hoofdcelebrant ons als volgt toe: “Verkondigen wij het mysterie van het geloof”. Daarop antwoorden wij: “Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkomt, dat Gij verrezen zijn.”

Ook dit staat ons dus te doen: ‘totdat Hij wederkomt’ ons geloof in zijn verrijzenis belijden en verkondigen. Ons is ook een verkondigingsopdracht toevertrouwd die er in bestaat dat wij ons geloof moeten verkondigen, het moeten tonen aan wie rondom ons leeft. De toename van het geloof in Christus zal immers zijn wederkomst bespoedigen. Want het is wachten op de komst van de verheerlijkte Messias tot Hij erkend wordt door heel Israël (cf. Rom. 11,26) en door alle mensen (cf. Apocalyps 21,2-4).

Tot slot is er nog een derde aspect dat ons te doen staat: er voor zorgen dat we klaar zijn als de Heer komt; er voor zorgen dat Hij ons aantreft in een staat en toestand die zijn goedkeuring kan wegdragen, “zodat u geen blaam treft op de dag van ons Heer Jezus Christus” (1 Kor. 1,8). Dat raagt van ons een moreel leven, een levenswandel die God welgevallig is (cf. 1 Tess. 4,1). Vooral de apostel Paulus spoort hiertoe aan. “Laten wij ons ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht. Laten wij ons behoorlijk gedragen als op klaarlichte dag, en ons onthouden van braspartijen en drinkgelagen, van ontucht en losbandigheid, van twist en nijd. Bekleedt u met de Heer Jezus Christus en koestert geen zondige begeerten meer” (Rom. 13,14)

Dit alles zal ons toelaten “stand te houden voor het aangezicht van de Mensenzoon” (Lc. 21,36).

wederkomst christus (102) LR

Samengevat.

Naast de komst van Christus in de tijd (Kerstmis) geloven wij ook in de wederkomst van Christus op het einde van de tijd. Hij zal dan komen om zijn koninkrijk te vestigen en om alles te onderwerpen aan zijn heerschappij. Hij zal dan over elke mens het oordeel uitspreken. Intussen zien wij reikhalzend uit naar de wederkomst van de Heer en kunnen wij ons hierop voorbereiden door een christelijke levenswandel “om ongerept en onberispelijk voor de Heer te verschijnen” (Fil. 1,10).

Pasen: Wat betekent het?

Het paasfeest is een zeer oud feest.
Nog voor er sprake was van Jezus Christus vierden de Joden – de Israëlieten – reeds hun paasfeest. Het jaarlijkse paasfeest herinnerde hen aan drie grote gebeurtenissen in de geschiedenis van Israël:

  • God die de Israëlieten van de 10de plaag te Egypte gespaard heeft doordat ze het bloed van een eenjarig lam moesten uitstrijken over de deurposten. (lees in de Bijbel het Boek Exodus,12 Over de instelling van het pascha).



“Deze dag moet gij tot een gedenkdag maken,
ge moet hem vieren als een feest ter ere van Jahwe, uw God.
Van geslacht tot geslacht
moet ge hem als een eeuwige instelling vieren.” (Ex.12,14)

  • God liet de Israëlieten veilig vluchten uit de slavernij van Egypte onder leiding van Mozes en zijn broer Aäron.
  • De doortocht door de rietzee van het Volk van Israël.

LEESTIP:

Het 12de hoofdstuk van het boek Exodus vertelt je alles over de instelling van het Joodse Paasmaal

God redde zo zijn uitverkoren volk van het juk van Farao en voerde het doorheen de woestijn naar het Beloofde Land. God had hen bevrijd uit een onderdrukking maar al snel vergaten zij deze wondere gebeurtenis en hielden ze zich bezig met hun eigen leventje. God kreeg als het ware ‘stank voor dank’.
Eeuwenlang traden er Profeten op, zoals Jesaja, Ezechiël, Jeremia, Esther, Hanna… Deze mannen en vrouwen riepen steeds weer de mensen op om God de lof en eer te brengen die Hij verdient. Het Volk Gods werd bemoedigd en aangespoord om een beter leven te leiden dat God behaagt. De profeten vroegen een ‘bekering’ van de mensen. Maar steeds vielen de mensen terug in hun oude gewoonten en zonden.

Met de komst van Jezus Christus in deze wereld zien we dat de Zoon van God alle profetieën vervult.
Jezus, die van alle eeuwigheid in de hemel was, daalde neer op een bepaalde plaats, in een bepaalde tijd op deze wereld! Deze menswording is geen evidentie! God hoefde geen mens te worden, maar Hij doet het toch uit Liefde voor ons! Hij komt van zijn hemelse troon en wordt mens zoals wij: een man van vlees en bloed. Deze grote gebeurtenis voor de geschiedenis vieren we met Kerstmis

Zalig en gelukkig Pasen! “Bedankt voor de bloemen!”

Deze woorden van Paus Johannes Paulus II klinken ons bekend in oren! Ook Paus Benedictus XVI houdt eraan om alle mensen een ‘Zalig Pasen’ te wensen!

Met Pasen vieren we de verrijzenis van Jezus Christus. Drie dagen ervoor werd de onschuldige Jezus op Goede Vrijdag gegeseld, bespot, gekruisigd en stierf Hij.

paus_1
paus_2

Het lam dat op het Joodse paasfeest werd geslacht is een voorafbeelding van het lijden en de dood van Jezus. Jezus werd geofferd op het kruis omwille van onze zonden. Op het kruis vergeeft Jezus ons!

De doortocht door de Rietzee was een voorafbeelding van Jezus die doorheen het lijden en de dood verrijst. Zo ook is ons doopsel een onderdompeling in het water om tot het nieuwe, eeuwige leven te komen dat Jezus voor ons heeft ontsloten door zijn verrijzenis.

FILMTIP:
The Passion of the Christ van Mel Gibson

goede_vrijdag

Zoals een lam dat ter slachting wordt geleid,
zo werd Hij gefolterd en diep vernederd.
(Jes.53,7)

Nadat Jezus dood was haalde men Hem van het kruis en legde men hem in een graf. Jezus werd in een lijkwade gewikkeld en begraven. Fijne reukstoffen zoals mirre, aloë werden tussen de doeken gestrooid.
De boze farizeeërs lieten wachters plaatsen aan het graf uit vrees dat Jezus’ leerlingen zijn lichaam zouden stelen, zodat ze achteraf zouden kunnen zeggen: zie Hij is verrezen!

Maar in de vroege morgen van de derde dag (voor ons de Zondag) verliet Jezus zijn graf, dwars door de verzegelde steen en hij vertoonde zich niet aan de wachters! De soldaten zijn pas gaan lopen nadat een aardschudding hen opschrikte en de steen wegrolde!

“Vroeg in de morgen gingen vrouwen naar het graf.
Zij vonden de steen weggerold van het graf, gingen binnen,
maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet.” (Lc.24,1-3)

Dat Jezus verrezen is bevestigen zijn apostelen en leerlingen en kunnen we nalezen in het Nieuwe Testament.

Wij verwachten soms zó weinig van onszelf, en soms zó veel van een ander en zelfs van God! De verrijzenis ligt in de mogelijkheid van God, en dus moeten we er niet aan twijfelen dat Jezus verrezen is!
Wanneer Christus niet is verrezen, is onze prediking zonder inhoud en ons geloof eveneens! (1 Kor.15,14)
Met Jezus’verrijzenis werd de hemel geopend en is de weg van het eeuwig leven al gebaand. Het is aan ons om Jezus achterna te gaan!
Christus is verrezen, Hij deed de dood teniet, alleluia!

pasen_1

De verrijzenis van Christus is het granietblok,

waarop ons geloof in Christus gevestigd is.

Daarom is Pasen de grootste feestdag van het kerkelijke jaar. Pasen herdenkt de triomf van de Godmens over de dood! De verrijzenis van Christus is tevens het voorbeeld voor onze opstanding uit de doden. Dankzij ons doopsel hebben wij deel aan het lijden en de dood van Christus en bezitten we het eeuwig leven! Alleluia!

pasen_2

Pinksteren: het begin van de Kerk

Binnenkort viert de Kerk het jaarlijks wederkerende feest van ‘Sinksen’ of beter bekend als ‘Pinksteren.’ Het valt steeds op de 50ste dag na de verrijzenis van Jezus.

Zoals bij de meeste kerkelijke feesten heeft ook Pinksteren joodse wortels. Bij het joodse Pasen (lees catechese over Pasen) vierde men het feest van de ongedesemde broden. Zeven weken later, de vijftigste dag, brachten boeren de eerste oogst als offergave mee naar Jeruzalem en vierden zij hun Pinksteren, een feest van vreugde en dank om de gave van de oogst die gerijpt was. Deze viering bracht telkens veel volk op de been en veel pelgrims in Jeruzalem.

Later werd het feest ook in verband gebracht met de gave van de tien geboden aan Mozes op de op de berg Sinaï.

pinksteren_09

Vijftig dagen na Pasen viert de Kerk dat de heilige Geest over de apostelen en leerlingen kwam en hen vervulde. Pinksteren en Pasen horen bij elkaar. Het pinksterfeest kan je beschouwen als het slotakkoord na vijftig dagen dank en vreugde om wat Jezus door zijn lijden, sterven en verrijzen voor ons gedaan heeft.

LEESTIP:

Het 2de hoofdstuk van de Handelingen van de APostelen vertelt het relaas van de komst van de H. Geest over de apostelen

pinksteren_04

Maar meer in het bijzonder gedenkt de Kerk op Pinksteren de gave van de heilige Geest. Die gave werd reeds door Jezus beloofd:

“Dit zeg ik u, terwijl ik nog bij u ben,
maar de Helper, de heilige Geest,
die de Vader in mijn Naam zal zenden,
Hij zal jullie alles duidelijk maken
en in herinnering brengen wat ik u gezegd heb.’(Joh.14,26)

Op de dag van Pinksteren werd de heilige Geest aan de gehele wereld geopenbaard. De evangelist Lucas verteld ons zeer gedetailleerd op welke wijze de apostelen vervuld werden van de Heilige Geest. Het relaas daarvan kunnen de lezen in de Handelingen van de Apostelen (hoofdstuk 2).

De apostelen hadden hun verblijf genomen in een grote bovenzaal te Jeruzalem. Elk ruim gebouwd huis in Jeruzalem (en elders in het Oosten) had zo’n een grote bovenzaal, omdat elke eigenaar verplicht was aan grote groepen vreemde pelgrims de gelegenheid te geven het Paasmaal te vieren. Ook op het Laatste Avondmaal bevond Jezus zich met zijn apostelen reeds in zo’n bovenzaal. Of de leerlingen met Pinksteren samenkwamen in dezelfde zaal … het is mogelijk!

Tijdens hun verblijf in de bovenzaal ontstond er plotseling een gedruis en stak er een hevige wind op. Vurige tongen kwamen uit de hemel neer en zetten zich op eenieder neer. Allen werden vervuld van de H. Geest.

Pinksteren kan daarom het geboortefeest van de Kerk genoemd worden. Christus schenkt de H. Geest aan de apostelen. Sinds die dag is de Geets werkzaam in de Kerk. Zij sterkt en stuwt haar; zij maar haar heilig; zij zendt haar op weg. De Geest is het levensprincipe in de Kerk: zoals de ziel een lichaam levend maakt, zo maakt de Geest de Kerk levend!

pinksteren_02

Wat doet die Heilige Geest?

Als we met Pinksteren naar de kerk gaan dan zien we dat de priester een vuurrood gewaad draagt. De kleur verwijst naar de Heilige Geest die als vuur over de leerlingen neerdaalde.

LEESTIP:

Lees de eerste encycliek van paus Benedictus XVI over de liefde:

Deus Caritas Est – God Is Liefde

De Heilige Geest is de Geest der waarheid (Joh. 16,13), de Geest des Heren (2 Kor. 3,17), Gods Geest (Rom. 8,9.14).
De Geest leert te geloven in Jezus Christus, het is de Geest die ons levend maakt tot kinderen van één Vader.
De vurige Pinkstergeest bewerkt eenheid onder de mensen, smeed haarden van Liefde, dat is Gods geest.
De Liefde heeft God in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken. (Rom. 5,5). Als wij tot hem bidden dan zal ons hart niet versteend en koud worden.

pinksteren_06

Als we in ons leven twijfelen omtrent het christelijke geloof, dan kunnen we tot de heilige Geest bidden opdat Hij ons de gave geeft om meer te geloven in de Verrezene. Een eenvoudige methode kan zijn om in je binnenste (aan de bushalte) of zachtjes fluisterend (als je alleen bent) meerdere malen traag de naam van de Heilige Geest te aanroepen op het ritme van je ademhaling: “Kom, Heilige Geest”


De Heilige Geest
schenkt en bevestigd
het geloof
in de Verrezen Christus.

De H. Geest en ik?

pinksteren_07

Sint-Paulus schreef veel over de H. Geest in zijn brieven aan de Galaten en de Korintiërs:

‘de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid.’ (Gal.5,22)

Gods’ geest is niet ver weg, als jij wil kan Hij ook in jou zijn woning vinden:

Weet je dan niet dat je een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont? Indien iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem vernietigen, want Gods tempel is heilig – en die tempel ben je zelf’. (1 Kor.3,16)

pinksteren_01

Bij het doopsel in de kerk ontvangt de dopeling de heilige Geest. De dopeling ontvangt de genade om het geloof in Jezus Christus te belijden.

Ook het Vormsel, dat vele jongeren jaarlijks ontvangen, staat in het teken van de Heilige Geest. De Kerk zegt hierover: “In het sacrament van het Vormsel ontvangen de gedoopten een bijzondere kracht van de heilige Geest en zijn zij daarom strenger gehouden om als waarachtige getuigen van Christus door hun werk en hun woord het geloof te verspreiden en te verdedigen.”
De vormeling wordt op het voorhoofd gezalfd waardoor hij/zij een merkteken meekrijgt. “Ontvang het zegel van de Heilige Geest, de gave Gods.” Het betekent dat de pas gevormde christen Christus nu volledig toebehoort en voor altijd in Zijn dienst wil staan.

“Kom, Schepper Geest, daal tot ons neer, houdt Gij bij ons uw intocht Heer!
Vervul het hart dat U verblijdt, met hemelse barmhartigheid.”

pinksteren_08

Gods engelen

Wie of wat zijn engelen?

Het woord ‘engel’ stamt af van het Latijnse angelus, wat zelf afgeleid is van het Grieks ángelos, wat allebei ‘boodschapper’ betekent. Ook het Hebreeuwse woord mal’ach betekent ‘boodschapper’.
Een goede omschrijving van wie de engelen zijn lezen we in het Compendium van de Katechismus van de Katholieke Kerk:
De engelen zijn louter geestelijke schepselen, niet lichamelijk, onzichtbare, onsterfelijke, persoonlijke wezens, begiftigd met verstand en wil. Terwijl zij God voortdurend aanschouwen van aangezicht tot aangezicht, verheerlijken zij Hem, dienen zij Hem, en zijn Zij zijn boodschappers bij de vervulling van de heilszending voor alle mensen.

engel_6

Wat doen de engelen?

De engelen hebben verschillende taken. Eén ervan is ondertussen al duidelijk geworden: zij zijn de boodschappers van God. Zij worden uitgezonden om mensen een boodschap te brengen van God of een opdracht te volbrengen in naam van God.

Zij dienen en aanbidden God, dat zijn de Serafijnen en Cherubijnen. Zij dienen ook de mensen; zij beschermen hen en ‘dragen hen op handen’: dat is vooral de taak van de beschermengelen.

Zoals de aartsengel Michaël zijn ook strijders die strijd voeren tegen de kwade geesten.
En in het Oude Testament zijn zij ook uitvoerders van Gods besluiten en oordelen.
Zij zouden zich steeds in Gods nabijheid bevinden, waarbij de serafijnen het dichts staan bij de troon van God.

engel_2
engel_3
engel_1

Het aantal engelen zou astronomisch groot zijn: er wordt in de Bijbel gesproken over tienduizenden maal tienduizenden. Letterlijk genomen zou dit al een aantal van honderd miljoen engelen opleveren. Jezus sprak bij zijn arrestatie in Getsemane over enige legioenen engelen.

Ook zou er een bepaalde rangorde zijn onder de engelen. Dionysius de Areopagiet, die grote invloed had op de volksdevotie, deelde de engelen in rangen in: Engelen, Aartsengelen, Sferen, Krachten, Koninkrijken, Heerschappijen, Tronen, Cherubijnen, Serafijnen.

In deze catechese concentreren we ons enkel op de aartsengelen en de bewaarengelen. De aartsengelen zijn Gabriël, Michaël en Rafaël. We nodigen u uit om kort met hen kennis te maken. Neem gerust je Bijbel en lees met ons mee..

Gabriël.

De engel Gabriël is Gods boodschapper bij uitstek. We zien hem dan ook meermaals optreden in de Bijbel, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament.

In het Oude Testament komen we hem tegen in het boek Daniël. Hoofdstuk 8, vers 15-26 van dit boek verhaalt over een visioen van de profeet Daniël. Daarin verschijnt hem iemand ‘die er uit zag als een man’. Een stem vanuit de verte beveelt Gabriël ervoor te zorgen dat Daniël zijn visioen begrijpt.
In hoofdstuk 9, vers 21, vliegt Gabriël tijdens het gebed van Daniël naar hem toe om uitleg te geven over hoe en wanneer God de zonden van Israël zal vergeven.

In het Nieuwe Testament komt Gabriël ook tweemaal voor, in het evangelie volgens Lucas.
In hoofdstuk 1, vers 11-20, lezen we de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper. Zacharias vraagt of hij wel zeker kan zijn van deze aanstaande geboorte. De engel antwoordt: “Ik ben Gabriël die voor Gods aanschijn staat, en ik ben gezonden om om u te spreken en u deze blijde boodschap aan te kondigen …”De voor ons, christenen, belangrijkste rol van de engel Gabriël is zijn in hoofdstuk 1, vers 26-38 van hetzelfde evangelie volgens Lucas, beschreven aankondiging aan Maria van haar aanstaande maagdelijke zwangerschap
en de geboorte van Jezus ‘die de Zoon van de Allerhoogste’ zal worden genoemd. De christelijke terminologie voor deze aankondiging is ‘Annunciatie’ of ‘Aankondiging aan Maria’.

Het eerste deel van het Weesgegroet is gebaseerd op de woorden die Gabriël toen tot Maria gesproken heeft:

engel_gabriel_2

Wees gegroet Maria,
vol van genade,
de Heer is met u.
Gezegend zijt gij
boven alle vrouwen,
en gezegend is de vrucht van uw lichaam, Jezus.

engel_gabriel_1

Rafaël.

Rafaël is een Hebreeuws woord dat ‘God heeft genezen’ betekent. Hij komt alleen voor in het boek Tobit (hoofdstuk 5 en verder). Daar vergezelt hij de jonge Tobias, zoon van Tobit, op zijn gevaarlijke reizen. Dankzij Rafaël slaagt Tobias er ook in om zijn vrouw Sara en ook zijn vader Tobit, die blind geworden was, weer kan genezen. Pas helemaal op het einde van deze wonderlijke gebeurtenissen maakt Rafaël zijn ware identiteit bekend.

Dit zijn enkele van zijn woorden:
“Toen u bad, u en uw schoondochter Sara, heb ik uw gebed onder de aandacht van de Heilige gebracht. Ik was het ook die, toen u de doden begroef, u nabij was. Ook toen u zonder dralen opstond en uw maaltijd liet staan om een dode te begraven, is doe goede daad me niet ontgaan, maar was ik bij u. En daarom heeft God me gezonden om u te genezen, evenals uw schoondochter Sara. Ik en Rafaël, een van de zeven heilige engelen die de gebeden van de heiligen opdragen en toegang hebben tot de heerlijke troon van de Heilige.”

engel_rafael_1

Michaël.

De naam van de aartsengel Michaël komt voor in het Oude Testament. In het boek Daniël, hoofdstuk 10, vers 13, wordt hij beschreven als de voornaamste der vorsten en de beschermer van het vrome Israël. De engel geeft er aan Daniël de kracht die hij nodig heeft om zijn zending verder te zetten.

In het Nieuwe Testament wordt de engel Michaël tweemaal vernoemd. De eerste keer in de brief van Judas, vers 9. Bekender is de passage in de Openbaring van Johannes, hoofdstuk 12, vers 7-12: hier wordt visioen verteld van de strijd tussen Michaël en de draak. Dat verklaard waarom de aartsengel Michaël vaak afgebeeld wordt als een strijden, met het zwaard in de hand en een draak aan zijn voeten.

engel_michael_1
Paus Gregorius I wijdde aan de engel Michaël de Engelenburcht te Rome toe. Dat was omdat de aartsengel tijdens een pestepidemie aan de paus verschenen was. Toen de engel zijn zijn vlammend zwaard in de schede stak hield de pestepidemie op. Deze gebeurtenis wordt gevierd op 8 mei in Rome.

De feestdag van de aartsengelen valt op 29 september.

engel_michael_2

Heilige aartsengel Michaël,
verdedig ons in de strijd,
wees onze bescherming tegen
de boosheid en de listen van de duivel.
Wij smeken ootmoedig
dat God hem zijn macht doet gevoelen.
En Gij, vorst der hemelse legerscharen,
drijf Satan en de andere boze geesten,
die tot verderf van de zielen
over de wereld rondgaan,
door de goddelijke kracht in de hel terug.
Amen.

engel_michael_3

De bewaarengelen.

Vanaf onze geboorte tot onze dood worden wij omringd door de bescherming en de voorspraak van de engelen. Iedere gelovige wordt terzijde gestaan door een engel, zijn bewaarengel, om hem als een behoeder en herder naar hèt leven te leiden.

Pater Pio zag zijn engelbewaarder en sprak met hem. Paus Pius XI en Johannes XXIII gaven hun engelbewaarder boodschappen, anderen geven hem een naam, velen bidden vaak tot hun engelbewaarder.

Heilige engel van God, broeder en vriend, beschermer van mijn lichaam en mijn ziel. Innig bid en smeek ik u: weer van mij alle gevaar en verleiding; ontvlam in mij liefde voor de Heilige Drie-eenheid, die mij aan u toevertrouwde; en leid mij op de weg van het heil tot het eeuwig leven. Amen.

engelbewaarder_2

Een gevallen engel: Satan

Toen Adam en Eva zich door hun zonde van ongehoorzaamheid onttrokken aan de wil van God dan lezen we in het boek Genesis ook hoe zij daartoe aangezet werden door een verleidelijke en bedrieglijke stem, in de gedaante van een slang. De Schrift en de overlevering van de Kerk zien in dit wezen een gevallen engel, Satan of duivel geheten (Joh. 8, 44; Apok. 12, 9).

De Kerk leert dat Satan aanvankelijk een door God geschapen, goede engel is geweest. Maar samen met andere engelen heeft hij tegen God gezondigd (2 Petr. 2, 4). Deze “zondeval” betekent dat deze engelen in vrijheid gekozen hebben tégen God. Zij hebben God en zijn rijk radicaal en onherroepelijk afgewezen. De duivel wil zelf God zijn, zijn macht en zijn plaats innemen. Daarin bestaat zijn zonde.

engel_satan_4

Sindsdien laat de duivel niet af te strijden tegen God en allen die zich tot Christus belijden. De duivel, die “zondigt vanaf het begin” (1 Joh. 3, 8) blijft de mensen voortdurend misleiden; hij blijft een wig drijven tussen God en de mensen, net zoals hij geprobeerd heeft Jezus af te houden van de zending die Hij van de Vader gekregen had (Vgl. Mt. 4, 1-11). “De Zoon van God is juist gekomen om het werk van de duivel ongedaan te maken” (1 Joh. 3, 8). Het werk met de ernstigste gevolgen is de leugenachtige verleiding geweest die de mens ertoe gebracht heeft ongehoorzaam te zijn aan God.

engel_satan_3

De macht van de Satan is echter niet oneindig. Hij is maar een schepsel, machtig op grond van het feit dat hij louter geest is, maar nog altijd een schepsel: hij kan de grondvesting van het rijk van God niet verhinderen. Hoewel Satan in de wereld werkzaam is uit haat jegens God en zijn rijk in Jezus Christus, en zijn handelen zware schade toebrengt – van geestelijke en zelfs indirect van fysieke aard – aan iedere mens afzonderlijk en aan de maatschappij in haar geheel, wordt dit handelen toegelaten door de goddelijke voorzienigheid, die met kracht en met zachte hand de geschiedenis van de mens en de wereld leidt.
Het toelaten door God van het handelen van de duivel is een groot mysterie, maar “wij weten dat God in alles het heil bevordert van die Hem liefhebben” (Rom. 8, 28).

engel_4

Geloof in beeld: Christus in de catacomben

De catacomben: korte inleiding.

Wie ooit naar Rome is gereisd heeft ze ongetwijfeld bezocht: de catacomben. Her en der verspreid rondom de oude stadsmuren liggen ze verborgen diep onder het aardoppervlak. Ze ontstonden op het eind van de tweede eeuw als ondergrondse begraafplaats ten dienste van de nog jonge christelijke geloofsgemeenschap.

Het zachte tufgesteente in de Romeinse ondergrond liet toe, om zonder al te veel inspanning, een heel netwerk van onderaardse gaanderijen uit te graven. Door het contact met de lucht werd het tufgesteente hard zodat stevige muren en plafonds ontstonden.

In de wanden aan weerzijden van de gaanderijen werden nissen uitgehold die dienst deden als graf. Was de beschikbare ruimte opgebruikt dan groef men verder, in de diepte of in de breedte. Verticale schachten zorgden voor de toevoer van licht en lucht.
Het is een hardnekkig misverstand dat de catacomben dienst deden als schuilplaats voor de eerste christenen tijdens de vervolgingen. De smalle en benauwende gaanderijen, met slechts hier en daar een kleine uitsparing die als grafkamer of kapel dienst kon doen, waren echter nauwelijks geschikt om aan duizenden christenen een veilig vluchtoord te bieden. Bovendien was het bestaan van deze ondergrondse gaanderijen algemeen bekend en wist ook de heidense vervolger van het bestaan ervan.

catacombe_algemeen_gang_(01)_LR
In de loop van de vijfde en de zesde eeuw geraakten de catacomben als begraafplaats in onbruik. Ze bleven echter wel een vaak bezocht pelgrimsoord waar men naartoe trok voor de verering van de vele heilige pausen en heilige martelaren die er begraven lagen. Denken we maar aan de H. Agnes, de H. Sebastiaan, de H. Cecilia, de heilige paus Callixtus en vele anderen.

Om de viering van deze heiligen te vergemakkelijken verrichte men soms verbouwingen om kleine ondergrondse gebedsruimtes te creëren. Toen na enkele eeuwen ook deze relieken een nieuw onderkomen vonden in bovengrondse basilieken geraakten de catacomben in de vergetelheid. Pas in de 16de eeuw werden ze als bij toeval herontdekt om sindsdien systematisch uitgegraven en onderzocht te worden.

Rome telt in totaal zo’n 20-tal catacomben, met in totaal tientallen kilometers gaanderijen, verspreid over meerdere niveaus of verdiepingen, die om en bij de 750.000 graven tellen.

catacombe_algemeen_plan_(01)_LR
catacombe_algemeen_gang_(02)_LR

Christus in de catacomben.

Naast de vele nissen in de muren bevatten de catacomben ook ruimere grafkamers of kleine kapellen die de mogelijkheid bieden om de eucharistie te vieren ter gedachtenis van de overledenen en de heiligen. Vaak werden ze fraai versierd werden met
fresco’s.Deze muurschilderingen behoren tot de oudste uitingen van christelijke kunst en zijn daarom van groot belang. Hun onderwerpen zijn aangepast aan de functie als begraafplaats. Vele fresco’s hebben dan ook als thema: leven en dood, het eeuwig leven, de verrijzenis, de doop en de eucharistie.

catacombe_algemeen_monogram_(01)_LR

Het is opvallend hoe in de schilderingen van de catacomben Christus een prominente plaats inneemt. Maar dat mag ons niet verwonderen.

In Christus heeft de christen, door zijn geloof en door de sacramenten, het Leven gevonden. Door de doop werd hij deelachtig gemaakt aan Christus’ dood en verrijzenis. In Christus werd hij verlost en heeft hij perspectief op het eeuwig leven.

Wanneer de christenen van de Oudheid hun doden begroeven, dan is het ook logisch dat zij aan Christus denken. Hij is het die hen geleiden zal naar het eeuwig vaderland. Of zoals een van de vele grafschriften het uitdrukt: ‘Tauta o bios – Ziehier ons leven

catacombe_marcellinus_christus_en_apostelen_(01)_LR

Moeder en Kind.

Een eerste reeks afbeeldingen die we vaak aantreffen in de catacomben zijn deze die – in brede zin – onder de noemer van het Kerstgebeuren kunnen rangschikken. Bijzonder is de reeds sterk vervaagde afbeelding die we nog kunnen bekijken in de catacombe van Priscilla.

We zien de profeet Bileam die naar een ster wijst en daarnaast zien we de contouren van Maria met het Kind Jezus. Deze afbeelding gaat terug op het boek Numeri (24,15-17) waarin de profeet Bileam de komst van een Koning voorspelt voor het volk Israël:

“Dit is de Godspraak van Bileam, zoon van Beor, … de godspraak van de man die geheimen mocht zien, de godspraak van hem die God hoort spreken …. Ik zie hem, maar niet in het heden; ik aanschouw hem, maar niet van nabij: een ster komt op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israël”.

De vervulling van deze profetie in de ster die door de drie wijzen uit het Oosten werd gevolgd (Mt. 2,2) ligt voor de hand

catacombe_priscilla_bileam_(01)_LR
Dat verband heeft in elk geval ook de kunstenaar willen leggen door in dit fresco de profeet Bileam samen af te beelden met Maria en haar Kind Jezus (tussen de hoofden zien we nog een schaduw van de ster). Dit fresco is tevens de oudste afbeelding van de heilige maagd Maria.

Een ander type afbeelding dat hierbij aansluit is deze waarbij Maria haar Kind toont aan de toeschouwer. Het is het type dat we later ook vaak zullen terug zien op de iconen van de Oosterse Kerk. Dit fresco dateert van de eerste helft van de vierde eeuw.

catacombe_maius_moeder_en_kind_(01)_LR

De Goede Herder.

In meerdere catacomben zie we ook de vaak terugkerende afbeelding van Christus als de Goede Herder. Dit mortief is op zich niet nieuw. Ook de heidense fresco’s uit die tijd kenden de afbeelding van de herder met een lam op zijn schouders als een herinnering of verwijzing naar het idyllische en zorgeloze leven op het platte land.

De eerste christenen zullen deze afbeelding overnemen maar dan vooral als herinnering aan de Goede Herder, zoals Jezus zichzelf noemt in het Johannes Evangelie:

“Ik ben de Goede Herder. De Goeder Herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Maar de huurling, die geen herder is … laat de schapen in de steek en vlucht weg: de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen. Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen. Ik ben de Goede Herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de vader. Ik geef mijn leven voor de schapen” (Joh 10,11-15).

catacombe_callixtus_goede_herder_(01)_LR
Wanneer de christenen hun doden begroeven dachten ze ongetwijfeld terug aan deze woorden. Zoals de herder op zoek gaat naar het verdwaalde schaap en het terugbrengt naar de schaapskooi, zo verzamelt Christus alle gelovigen die luisterden naar zijn stem en brengt hen naar het hemels vaderland. Hier, in de catacomben, verzamelden de christenen zich als het ware om door Christus op de schouders getild te worden en binnengedragen te worden in de hemel.
catacombe_marcellinus_goede_herder_(02)_LR
catacombe_goede_herder_(01)_LR
Bijna alle fresco’s van de Goede Herder hebben dezelfde opbouw. Christus draagt een een schaap op de schouders – misschien wel dat ene verloren schaap waarnaar Hij op zoek gaat om het te redden. Naast Hem staan twee andere schapen met hun kop reikhalzend naar omhoog gericht: mijn schapen luisteren naar Mijn stem ….

We wijzen hier meteen ook op een bijzonder detail: in deze afbeelding van de Goede Herder, zoals in de meeste afbeeldingen die we aantreffen in de catacomben, is Christus weergegeven als een jonge man, met korte haren en zonder baard. Dat is zeer opmerkelijk. Het wijst er op dat pas vanaf de vierde en vijfde eeuw Christus wordt afgebeeld als een man met baard en lange haren.

De Heer van het (eeuwig) leven.

De catacomben zijn, zoals we in het begin reeds duidelijk hebben gemaakt, in wezen een begraafplaats. In hun versieringen stonden de vroege christelijke kunstenaars dan ook vaak stil bij het thema van leven en dood. Stelden zij daarbij ook Christus in beeld, dan inspireerde men zich vaak ook aan de vele evangeliepassages waarin Christus op de voorgrond treedt als Heer van het (eeuwig) leven.

In de eerste plaats denken we dan aan de ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse vrouw, zoals Johannes die beschreven heeft in het vierde hoofdstuk van zijn Evangelie:

“Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst, maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer” (Joh 4,13-14).

Inderdaad, Christus is het levend water: Hij geeft het eeuwig leven. Wat is er mooier om aan terug te denken op een begraafplaats dan deze passage? Mensen hebben gezwoegd en gewerkt, zij hebben gedorst naar levensvervulling en zingeving. In Christus wordt hun verlangen ten volle verzadigd.

catacombe_via_latina_samaritaanse_(01)_LR

Nog zo’n evangelische passage is de opwekking van Lazarus, de goede vriend van Jezus en de broer van Marta en Maria. Jezus was op weg om de zieke Lazarus te bezoeken, maar bij aankomst was hij al gestorven en begraven.

“Bij zijn aankomst bevond Jezus dat hij al vier dagen in het graf lag. … Jezus zei tot Maria: Uw broer zal verrijzen …. Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is Hij gestorven en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven” (Joh 11,17.23.25-26).

Deze woorden klinken als een belofte, een hoopvol perspectief. Deze belofte hielden de eerste christenen ook in herinnering toen ze hun doden begroeven in de catacomben.

catacombe_anapo_lazarus_(01)_LR
catacombe_via_latina_lazarus_(02)_LR

De eerste baard van Christus.

In de catacombe van Comodilla wordt nog een bijzonder fresco bewaard. We vertelden reeds hoe de meeste afbeeldingen in de catacomben Christus voorstellen als een jonge man.

In deze catacombe vinden we nu ook een van de eerste fresco’s waarop Christus wordt afgebeeld zoals hij ons het meest vertrouwd is: als ene volwassen man, met lange haren en een baard.

Links en rechts van de afbeelding zien we de Griekse letters alfa en omega. Een verwijzing naar Openbaring 1,8:
“Ik ben de alfa en de omega, zegt God de heer, Hij die is en die was en die komt, de Albeheerser”.

Het fresco dateert van het einde van de vierde of het begin van de vijfde eeuw.

catacombe_commodilla_christus_(01)_LR

Christus als Leraar.

Op weer andere fresco’s staat Christus afgebeeld tezamen met zijn apostelen. Wat we hier zien is geen afbeelding van het Laatste avondmaal, maar wel Christus in de rol van de Leraar, als Diegene die zijn apostelen onderricht. Opvallend is weer hoe Jezus wordt afgebeeld als jongeman, typisch voor de fresco’s uit de derde eeuw.

catacombe_domitilla_christus_en_apostlen_(01)_LR
catacombe_anapo_christus_en_apostelen_(02)_LR
catacombe_domitilla_goede_herder_(01)_LR

Schepping of evolutie?

Heel vaak krijgt de katholieke Kerk het verwijt dat ze de evolutieleer van Darwin niet aanvaardt. Wat is daar wel en niet van aan? In wat volgt formuleren we enkele stellingen en zetten we kort het katholiek standpunt uiteen.

darwin (02)

Stelling 1: Rome verbiedt haar gelovigen om de leer van Darwin aan te nemen.

Nergens, niet in encyclieken, niet in de Catechismus van de katholieke Kerk, in geen enkele officiële toespraak die uit Rome komt, wordt geëist je als katholiek gelovige de leer van Darwin moet verwerpen.
Maar Rome zegt ook niet expliciet dat haar gelovigen het moeten aannemen. En waarom niet? Omdat de evolutieleer ver van het geloofsleven van de christenen staat. Het is geen onderwerp dat wezenlijk deel uitmaakt van het christelijke leven.
De eerste bekommernis van de katholieke Kerk is dat haar gelovigen een waarachtig christelijk leven zouden leiden met Jezus Christus als leidsman ten leven; dat zij het Evangelie zouden beleven in gemeenschap met de hele Kerk.
De Kerk concentreert zich dus anno 2010 op haar kerntaken. En toch hoor je van tijd een pauselijke uitspraak over de schepping en de evolutie om het christelijke scheppingsgeloof helder te krijgen te midden van velerlei opvattingen over het ontstaan van het leven op aarde.

evolutie (02)

Stelling 2: Wat zegt de Kerk precies over de aanvaardbaarheid van de evolutietheorie?

Een Vlaamse krant verweet paus Benedictus XVI in 2007 zich af te zetten tegenover de leer van Darwin. Hetzelfde artikel zegt dat Johannes Paulus II deze wel omarmde en dat zijn opvolger het nu verwerpt.

Wat zei paus Johannes Paulus II?

In een toespraak van 1985 zei hij “dat het kerkelijk leergezag niet verbiedt dat die leer over de evolutie het voorwerp mag zijn van opzoekingen en discussie in de mate dat de opzoekingen zich beperken tot de oorsprong van het lichaam van de mens vanuit een reeds bestaande en levende stof, want betreffende de ziel, verplicht het katholiek geloof ons voor te houden dat die onmiddellijk door God is geschapen.”

En ook: “het goed begrepen geloof in de schepping en de goed begrepen leer over de evolutie zijn niet tegenstrijdig: de schepping doet zich, in het licht van de evolutie, voor als een voortdurende schepping (creatio continua): hierin wordt God met de ogen van het geloof zichtbaar als Schepper van hemel en aarde.

Wat zegt paus Benedictus XVI? In zijn boek Schepping en evolutie onderstreept paus Benedictus XVI de tekortkomingen van de leer van Darwin, omdat deze fundamentele vragen over de schepping onbeantwoord laat.

Conclusie: beide pausen wijzen op de gebreken van de leer van Darwin om volledig acceptabel te zijn voor een christelijke scheppingsleer. Het darwinisme heeft zich beperkt tot hoe het leven is ontstaan op deze aarde. Het is een verdienstelijke poging van Darwin maar ze is onvolledig om geheel samen te vallen met een katholieke visie op de schepping.

evolutie (01)

Stelling 3: Rome zegt schepping, Darwin zegt evolutie.

Deze tegenstelling is vals. Voor de Kerk is het concept evolutie immers van een andere orde dan het concept schepping.

Het concept evolutie gaat over de wijze waarop het leven is ontstaan, hoe levende wezens zich hebben ontwikkeld doorheen de tijd. Vóór Darwin hadden christelijke denkers reeds al nagedacht over de ontwikkelingen in de schepping. We denken aan de heilige Hildegard von Bingen in de 12de eeuw, aan Sint–Bonaventura in de 13de eeuw. Evolutie voor deze grote christelijke auteurs was de progressieve ontwikkeling van de schepping doorheen de tijd, samengevat als creatio continua. Vooral nu, na Darwin, is er een verenging van het begrip evolutie tot de ontwikkeling van soort naar soort.

darwin (01)
Het concept schepping gaat vooraf aan het concept evolutie. Het is van een andere orde. Daarom dat schepping en evolutie geen tegenstellingen kunnen zijn. Schepping zegt dat God de wereld en alles wat bestaat geschapen heeft. De schepping is ontstaan uit Gods wil: alle wezens zijn door God geschapen. De mens heeft hierin een unieke plaats (zie stelling 4). Als katholiek ben je dus gehouden om te geloven in God als de Schepper van de hemel en de aarde, van al wat zichtbaar en onzichtbaar is.
Daarnaast staat het je als gelovige vrij aan te nemen op welke manier de schepping zich heeft ontwikkeld: direct of door evolutie. Zo mag je aannemen dat God planten en dieren in verschillende soorten heeft geschapen vanaf het begin van de schepping en dat er dus geen evolutie is over de verschillende soorten heen. Maar je mag evengoed aannemen dat planten en dieren na hun schepping zich volgens een bepaalde evolutie hebben ontwikkeld; en dat deze zich hebben ontwikkeld in andere soorten zoals het darwinisme zegt, maar niet wat de mens betreft.
evolutie (09)

Stelling 4: De mens heeft een gemeenschappelijke voorouder met de aap.

Deze stelling strookt niet met de katholieke visie op de mens. Voor een katholiek heeft God alle wezens geschapen.

De mens echter heeft een unieke plaats binnen het scheppingsgebeuren. De mens is immers geschapen naar het Beeld en de Gelijkenis met God (Gen 1,26).

In zichzelf verenigt de mens de geestelijke en de stoffelijke wereld. De mens is bovendien als man en vrouw geschapen. Bij de schepping heeft God de mens in zijn vriendschap aangenomen.
De Kerk zegt dat de mens als persoon geen familie kan zijn van de aap. De mens heeft een unieke status binnen de wereld van al het geschapene.
De mens valt niet samen met zijn lichaam zoals bij de dieren. De mens onderscheidt zich van dieren door te kijken naar de toekomst, te grasduinen in het verleden. We zetten solidariteitsacties op touw; we hebben herinneringen, we kennen vreugde, pijn, verdriet, hoop, geloof. We kunnen deugdzaam leven: zelfbeheersing, je eigen wil opzij zetten voor een ander, geduld oefenen,… Kortom de mens is een persoon bestaande uit een eenheid van geest, ziel en lichaam.

evolutie (05)
De opbouw van het menselijk lichaam vertoont veel verwantschap met dat van de dierenwereld.
Je mag aannemen dat God bij de schepping van de mens voor het lichaam een reeds bestaande en levende stof heeft gebruikt die verwant is aan het dierenrijk, maar anderzijds mag je ook aannemen dat God zoals de ziel als het lichaam rechtstreeks geschapen heeft.

Darwin maakt dat belangrijk onderscheid tussen lichaam en ziel niet wanneer hij het heeft over de mens. Dit wijst op een al te materialistische visie op de mens.

evolutie (07)

Stelling 5: De evolutieleer is een bewezen theorie, ook al moet er op nog onderzoek gedaan worden naar onzekerheden en details.

Aanhangers van het darwinisme claimen dat de evolutieleer al bewezen is. Voor de katholieke Kerk is de evolutietheorie meer dan een hypothese maar het is en blijft een theorie. Wat bedoelen we met een theorie?

Een theorie is een metawetenschappelijke uitwerking, onderscheiden van de resultaten van de waarneming, maar wel daaraan verwant. Zo wordt een geheel aan feiten en gegevens, die onafhankelijk van elkaar staan, in een integrale uitleg geïnterpreteerd en met elkaar in verband gebracht. De theorie bewijst haar waarde in de mate waarin zij voor falsificatie of verificatie vatbaar is. Daar waar de bewijzen ontbreken is zij ontoereikend.

Het grootste bewijs dat de darwinistische evolutieleer niet heeft geleverd zijn de zogenaamde tussenfossielen.

Indien Darwin gelijk had door te stellen dat er een evolutie is van meer primitievere soorten naar hogere levensvormen tot zelfs de mens, dan moet je met fossielen voor de dag komen die deze geëvolueerde tussenvormen hebben aangenomen. Tot op heden is dat niet gebeurt.

In die zin zal de Kerk nooit één bepaalde theorie inzake evolutie claimen voor haar gelovigen omdat geen enkele ervan 100 % sluitend is

. Bovendien hoeft de Kerk dit ook niet te doen omdat dit onderwerp een nevenkwestie is. De openbaring in Christus hangt er niet wezenlijk van af!

evolutie (10)

Stelling 6: Indien Rome Darwins theorie niet verdedigt, dan verdedigt ze wel het Intelligent Design (ID).

Helaas is deze stelling fout. De katholieke Kerk kiest noch partij voor de ene, noch voor de andere theorie omdat ze allebei aspecten van de christelijke scheppingsleer bevatten maar niet voldoende zijn voor de christelijke opvattingen inzake schepping en evolutie. Paus Benedictus XVI heeft duidelijk gezegd dat het concept Intelligent Design ook tekortkomingen heeft, net zoals Darwins opvattingen.

Wat zegt ID? ID gaat uit van een letterlijke lezing van de Schrift inzake de schepping; Vervolgens zegt ID dat het leven op deze aarde te volmaakt is, dat het niet uit toeval, maar wel door een intelligente oorzaak moet ontworpen zijn.

Wat zegt de Kerk? Als ID echt de Bijbel letterlijk zou lezen dan zou ze die intelligente oorzaak ook een naam geven. Dan zou ze moeten spreken van van God en niet louter van ID. In de Bijbel komt het woord Intelligent Design nergens voor. Bovendien zwijgt ID over de aard van deze intelligentie.

evolutie (08)
Nochtans spreekt de Bijbel over God die de hemel en de aarde geschapen heeft, Hij die de mensen geschapen heeft naar Zijn Beeld en Gelijkenis en hen bemint. Kortom, ID is te minimalistisch om volledig in overeenstemming te zijn met de christelijke scheppingsgedachte.

De Kerk ziet de mens als een goddelijk project. De mens is geen vergissing of het resultaat van een blind toeval, zoals het neodarwinisme zegt. De mens is een vrucht van de goddelijke liefde. In Bijbelse taal van God die tot de mensheid spreekt kunnen wij Hem danken en zeggen: Ja, Vader, Gij hebt mij gewild.

evolutie (03)
evolutie (04)

De ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk

Hoe goed kennen we onze geloofsbelijdenis? En verstaan we ook wel wat er in gezegd wordt? Toch is de geloofsbelijdenis fundamenteel want ze bevat de basiselementen van ons geloof. Een van de ‘artikelen’ van de geloofsbelijdenis gaat over de Kerk: ik geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk. In deze catechese belichten we wat dit geloof in de Kerk wel betekent.

De geloofsbelijdenis

Misschien denk je wel: ‘Heb ik wel een geloofsbelijdenis nodig?’ Kan het niet voldoende zijn als ik zeg ‘Ik geloof in God’, of ‘ik geloof in Jezus’, of nog: ‘ik geloof in het Evangelie’? Ik heb niet méér nodig dan dat om te kunnen zeggen dat ik christen ben. En als daar nog iets bij komt dan maak ik zelf wel uit wat.

Ergens is dat wel juist. Jezus vroeg aan de mensen die Hij tegenkwam ook niet de 12 artikelen van het geloof. De mensen, de zieken en zondaars, zeiden eenvoudigweg: ‘Ik geloof’. en voor Jezus was dat voldoende om hen te vergeven en naar lichaam en geest te genezen.

Voor Jezus was het voldoende. Maar is het ook werkbaar voor ons? Plaats enkele mensen bij elkaar om te spreken over het Evangelie of het geloof en al gauw kom je in discussies terecht en duiken er meningsverschillen op.

credo_LR (01)
Dat was zeker ook de ervaring van de eerste christenen. Ook zei voerden onderling discussies en daarvan merken we zelfs nog de sporen in het Nieuwe Testament zelf. Waren Petrus en Paulus het dan overalles zo roerend eens? Lagen de christenen uit het jodendom niet in conflict met de christenen uit het heidendom omtrent het onderhouden van de wet van Mozes en de besnijdenis (Hand. 15,1-5). En we lezen ook over grondige meningsverschillen over de verrijzenis van de doden binnen de kekr van Korintië (1 Kor 15,1-58).
Verschil van inzicht en opvatting bestond er ook in de eeuwen nadien. Er doken allerlei bewegingen en groeperingen op die omtrent het geloof eigen theoriën begonnen te ontwikkelen die afwijkend waren van wat de traditie leerde. Er ontstond verdeeldheid in de Kerk.

Zodoende groeide er in de loop van de tweede en de derde eeuw steeds meer de nood om de belangrijkste zaken van wat de geloofstraditie leerde eens op schrift te zetten. Want er kan maar één waarheid zijn over God, Jezus en het geloof.

Een mijlpaal in dit proces is het concilie van Nicea (325) en van Constantinopel (381) geweest. De concilievaders formuleerden er de basisbeginselen van ons geloof en verwierpen afwijkende standpunten.

Zo kwam de geloofsbelijdenis tot stand die we tot op heden nog in onze liturgie gebruiken. Een van de ‘artikelen’ ervan handelt over de Kerk: ik geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk. Wat bedoelde zij daar mee?

concilie_chalcedon_LR (01)

De ene Kerk.

De Kerk is één. Dat wil zeggen dat de Kerk enkelvoudig is en niet meervoudig. er kunnen niet meerdere Kerken zijn. Er is immers één God en één Heer Jezus Christus. Er is tevens maar één geloof.

Daarom kan er ook maar één Kerk zijn. Want de Kerk is immers het lichaam van Christus waarvan Hij het hoofd is (Ef 1,23-24). Kan Christus het hoofd zijn van meerdere lichamen? Natuurlijk niet! Er kan dus maar één lichaam (de Kerk) zijn en één hoofd (Christus).

De ene Kerk is zoals de lijfrok van Jezus die uit één geheel geweven was en niet verscheurd mag worden. (Joh 19,23-24). Wie de Kerk verscheurt, die verscheurt ook Christus.
De eenheid van de Kerk komt tot uiting in het herderschap van de bisschop van Rome, de paus, over de gehele Kerk. Hij is immers de opvolger van Petrus tot wie Christus had gezegd: ‘Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen’ (Mt 16,18). En bij Johannes horen Jezus tot Petrus zeggen: ‘Weid mijn lammeren, hoed mijn schapen’ (Joh 19, 16-17).

kerk_lichaam_LR (01)

‘Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen’ (Mt 16,18). Tu es Petrus …. We lezen het in metershoge letters in de koepel van de Sint-Pietersbasiliek te Rome.

Wat Jezus hier tot Petrus heeft gezegd is zelfs op een zeer letterlijke wijze werkelijkheid geworden. De eerste basiliek werd in 324 door keizer Constantijn opgetrokken boven het graf van de apostel Petrus die vlakbij in het circus van Nero was terechtgesteld.
In de zestiende eeuw kwam de huidige basiliek in de plaats, maar nog steeds staat het altaar van de basiliek loodrecht boven Petrus’ graf.

tu_es_petrus LR (1)

De heilige Kerk.

De Kerk heilig? Laat me niet lachen. Heeft zowel haar verre en recente geschiedenis niet aangetoond dat de Kerk helemaal niet heilig is en net zo goed als andere instellingen vatbaar is voor verderf, immoraliteit, hypocrisie, corruptie?

De Kerk is zeker een menselijke werkelijkheid. Ze bestaat uit mensen, zoals jij en ik, die beperkt zijn en hun fouten en tekorten kennen.

Maar de heiligheid van de Kerk is niet gefundeerd op een morele zuiverheid of op de volmaaktheid van een ethische levenswandel. Heiligheid is niet het gevolg van moraliteit. De moraliteit behoort veeleer het gevolg te zijn van de heiligheid!

kerk_geboorte_LR (01)
De geboorte van de Kerk uit Christus’ zijde.

kerk_bruid_LR (01)
De Kerk als zuivere Bruid van Christus.(Ef. 5,27)

De Kerk is eerst en vooral heilig door haar band met Christus en door de aanweizgheid van Christus in zijn Kerk. We zeiden het al: de Kerk en Christus vormen samen één lichaam waarvan Christus het hoofd is. Het is die verbondenheid van het Hoofd met het lichaam dat de hele Kerk heilig maakt.

De Kerk is ook heilig omdat de heilige Geest aanwezig is en werkzaam is in en door de Kerk.

Aan de christenen van Efeze schreef Paulus: “Zo zijt gij dus geen vreemdelingen en ontheemden meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl de sluitsteen Christus Jezus zelf is, die het hele bouwwerk in zijn voegen houdt. In Hem groeit het uit tot een heilige tempel in de Heer. In Hem wordt ook gij mee opgebouwd tot een woonstede van God, in de Geest” (Ef 2,19-22).

Maar wat Paulus zegt van de Kerk in haar geheel kan ook gezegd worden van elke gelovige afzonderlijk. Is immers niet élke gelovige door het doopsel met Christus verbonden en door de instorting van de heilige Geest geheiligd?

Daarom dat we geregeld kunnen merken hoe in het Nieuwe Testament de christenen elkaar ‘heiligen’ noemen. Daarom kan Paulus zeggen dat de Kerk een Kerk van heiligen is, een heilige gemeenschap.

Leeswijzer: Hand. 9,13; 20,32; Rom 1,7; 12,13; 1 Kor 6,1; 14,33; 16,1; 2 Kor 8,4.

doopsel_LR (15)

De katholieke Kerk.

‘Katholiek’ is in oorsprong een Grieks woord dat ‘over het geheel verspreid’ betekent. Universeel verspreid zouden we vandaag de dag zeggen. Het is dus eerder een geografisch principe waarmee aangeduid wordt dat de éne overal aanwezig is. Daarom spreken we beter van de Kerk ‘in’ eerder dan van de Kerk ‘van’. Zo is het juist te zeggen de Kerk ‘in’ Vlaanderen dan de Kerk ‘van’ Vlaanderen. Nationale of volkskundige grenzen kunnen de Kerk niet verdelen. Het blijft altijd die éne Kerk, maar wel een Kerk die zich overal ter wereld heeft ingeplant.

paulus_reizen (01)

Door zijn vele reizen verspreidde de apostel Paulus het geloof over een groot deel van de toenmalig gekende wereld.

De katholiciteit of universaliteit van de Kerk houdt niet alleen in dat het geloof van de Kerk overal verspreid is, maar betekent vooral dat men overal hetzelfde geloof aantreft. Of het nu de oude kerken van Europa zijn, of de jonge kerken in de ontwikelingslanden, overal treft met één en hetzelfde katholieke geloof aan. En dat is een soort garantiebewijs: als ik merk dat mijn geloof overeenstet met hetgeloof van de wereldkerk, dan kan ik er van op aan dat ik me op het juiste spoor bevindt en het rechte geloof aanhang.

De apostolische Kerk.

De Kerk valt niet uit de lucht maar staat geworteld in een traditie. Die traditie vindt zijn oorsprong bij Jezus zelf die aan zijn apostelen de opdracht gegeven heeft zijn zending op aarde verder te zetten. De apostelen waren de leerlingen van Jezus, zij werden door Hem onderricht, en wat zij van Hem gezien en gehoord hebben, dat hebben ze op hun beurt doorgegeven aan hun opvolgers de bisschoppen.

Zo ontstaat er ‘traditie’, van het het Latijnse werkwoord tradere dat ‘doorgeven’ of ‘overhandigen’ betekent.

Doorheen de geschiedenis van de Kerk, van generatie op generatie, werd zo de schriftelijke en mondelinge leer van de apostelen (die zij zelf van Jezus hadden ontvangen) ontvangen en weer doorgegeven. Die traditie noemen we de apostolische traditie.

We noemen de Kerk dan ook apostolisch naarmate zij kan aantonen dat er een onderbroken continuïteit bestaat tussen het geloof dat zij verkondigt en de traditie die er aan voorafgaat.

Ook dit is een soort garantiebewijs: in zover haar prediking en leer stevig gefundeerd is op het geloof van de apostelen, de getuigen van Christus, verkondigt zij het ware geloof.

evangelist_matteus_LR (01)

De bisschoppensynode

Van 7 tot 28 oktober verzamelen meer dan 300 bisschoppen, kerkleiders, religieuze oversten, theologen en specialisten in Rome voor de 23ste bisschoppensynode van de Katholieke Kerk. Wat is een bisschoppensynode? Hoe werkt ze? Op deze en meer vragen bieden we hier een antwoord.

Een beetje geschiedenis.

Reeds in de eerste eeuwen van onze kerkgeschiedenis kunnen we zien hoe bisschoppen van een bepaalde streek elkaar ontmoetten in een soort ‘vergadering’. Men noemt dit een ‘synode‘, een oorspronkelijk Grieks woord dat ‘samenkomst’ of ‘ontmoeting’ betekent.
Op dergelijke kerkvergaderingen bespraken de bisschoppen dan met elkaar bepaalde problemen, ,maakte met afspraken over bepaalde aangelegenheden of wisselde men gedachten uit aangaande een of ander aspect van het geloof.

Zo hielden de Noord-Afrikaanse bisschoppen, bijvoorbeeld, vanaf de derde eeuw, verschillende synodes in Carthago. Belangrijk waren de synodes die het probleem van de kerkscheuring tussen katholieken en donatisten moesten oplossen.
In het zuiden van Gallië verzamelden de ‘Franse’ bisschoppen zich in meerdere synodes te Arles. Dat gebeurde vanaf de vierde eeuw tot in de middeleeuwen. Hierop werden bepaalde ketterijen streng veroordeeld.
Maar er zijn natuurlijk nog heel vele andere voorbeelden aan te halen van bisschoppensynodes in zowel Oost als West.

concilie (100) LR

Synode of Concilie?

n het Latijnse Westen duidde men de synodes meestal aan met de term consilium of Concilie. Oorspronkelijk gaat het dus om hetzelfde: een regionale bijeenkomst van bisschoppen.
In de loop van de geschiedenis is er tussen beide termen wel een onderscheid gegroeid zodat men vandaag de term ‘concilie’ voorbehoud voor een wereldwijde samenkomst van bisschoppen. Met spreekt dan van een oecumenisch of algemeen concilie.
Het eerste concilie dat oecumenisch genoemd mag worden is dat van Nicea geweest in 325 en bracht 318 bisschoppen bij elkaar.
Het laatste (het 22ste) concilie was het Tweede Vaticaans Concilie dat in Rome gehouden werd van 11 oktober 1962 tot 8 december 1965. Bij de openingsplechtigheid waren er 2540 bisschoppen aanwezig!

vaticanum_2 (101) LR

Wat verstaat men nu onder een bisschoppensynode?

De term ‘synode’ wordt de dag van vandaag nog steeds gebruikt voor een vergadering van bisschoppen, maar dan niet – zoals bij een concilie – van alle bisschoppen van de Katholieke Kerk.
De bisschoppensynode werd nieuw leven ingeblazen met het Tweede Vaticaans Concilie. Ze werd in haar moderne vorm in het leven geroepen door paus Paulus VI op 15 september 1965. Elke bisschoppenconferentie (bijvoorbeeld de Belgische bisschoppenconferentie of de Nederlandse kiest een of meerdere bisschoppen als afgevaardigde voor de synode. Boor België is dat doorgaans de aartsbisschop van Mechelen-Brussel.

Het kerkelijk recht verwoordt op een bondige manier wat we in onze tijd verstaan onder een bisschoppensynode:
een vergadering van bisschoppen die, uitgekozen uit de verschillende gebieden van de wereld, op vastgestelde tijden bijeenkomen om een nauwe verbondenheid tussen de paus en de bisschoppen te bevorderen en om de paus tot het behoud en de groei van geloof en zeden en tot het onderhouden en versterken van de kerkelijke discipline met hun raad behulpzaam te zijn, alsook om overleg te plegen over vraagstukken die het handelen van de Kerk in de wereld betreffen.

(Codex Iuris Canonici, 342)
Belangrijke kerngedachten zijn dus:

  • een selectie van bisschoppen uit de hele wereld
  • ter bevordering van de verbondenheid met de paus
  • raad geven aan de paus in materies die het geloof, de zeden en de discpline aangaan
  • om te overleggen over het optreden van de Kerk in de wereld

bisschoppensynode (100) LR

Hoe gaat een bisschoppensynode in zijn werk?

De werking van een bisschoppensynode beperkt zich niet tot de periode van een maand waarin men in Rome samenkomt. De synode wordt voorafgegaan door een grondige voorbereidingsfase. De bisschoppenconferenties wereldwijd worden vooraf geconsulteerd aangaande het vastgelegde onderwerp van de synode. Om de bisschoppenconferenties de helpen in hun reflectie wordt hen een document ter hand gesteld, de Lineamenti, zeg maar de ‘krijtlijnen’ van de denkfase. Deze Lineamenti einidgen steevast met een vragenlijst die men moet bespreken en beantwoorden. Op basis van alle binnengekomen antwoorden werkt de secretaris-generaal van de bisschoppensynode een werkdocument uit, het Instrumentum Laboris, dat als basis zal dienen voor de synode zelf.

Ook op de synode zelf gaat men gefaseerd te werk. Tijdens de eerste fase geven de synodeleden een korte voorstelling van de situatie in hun kerkgemeenschap. Op basis van deze presentaties selecteert de rapporteur een reeks discussiepunten voor de tweede fase, waarin de synodeleden in kleine taalgroepen verdeeld worden. In de derde fase gaat men in de kleine groepjes een aantal suggesties doen en voorstellen formuleren in een meer precieze en definitieve vorm, zodat men tijdens de slotdagen kan stemmen over concrete voorstellen.
bisschoppensynode (103) LR
Aan het einde van de synode tracht de algemene secretaris van de Bisschoppensynode zicht te krijgen op het archiveren van het materiaal en het uitwerken van een rapport van het werk van de synode, dat later aan de paus ter goedkeuring wordt voorgelegd.

Meestal is het ook zo dat de paus na de synode een document van zijn hand uit werkt op basis van de voorstellen en besluiten van de synode. Wie dacht dat in de Katholieke Kerk alles alleen door de paus gedaan en dedacht werd is er dus aan voor de moeite. Wat de paus aan de gehele kerk voorstelt en uitlegt is meestal de vrucht van een lange voorbereiding, consulatie, overleg en discussie

Nog enkele weetjes.

Er zijn drie soorten bisschoppensynodes:

  • de gewone bisschoppensynode, meestal voor de gehele wereldkerk rond een bepaald thema.
  • de buitengewone bisschoppensynode, naar aanleiding van een bepaalde gelegenheid (bv. 20 jaar Vaticanum II in 1985).
  • de bijzondere bisschoppensynode, meestel beperkt tot een land of continent (bv. de synode voor Nederland in 1980, voor Europa in 1991, voor Afrika in 1994 en 2009)
Sinds Vaticanum II werden er 25 bisschoppensynodes gehouden, waarvan 13 gewone, 3 buitengewone en 9 bijzondere. Welke themas’s kwamen aan bod in de gewone bisschoppensynodes?
We geven enkele voorbeelden: Evangelisatie in de hedendaagse wereld (1974, 2012), de roeping en missie van d eleek (1987), de priesteropleiding (1990), het Godgewijde leven (1994), de eucharistie (2005).
bisschoppensynode (105) LR

Gedurende 19 jaar (1985-2004) was de Vlaming Jan Schotte als secretaris-generaal de stuwende kracht achter de bisschoppensynodes tijdens het pontficaat van paus Johannes Paulus.

Niet enkel bisschoppen nemen deel een een synode. Ook een aantal Algemense oversten van ordes of congergaties, specialisten en theologen. En zelfs vergenwoordigers uit andere godsdiensten.

Onder deze bijzondere deelnemers valt ook een steeds groeiend aantal vrouwen waar te nemen. Zij worden uitgenodigd al naargelang het onderwerp van de synode. Wel is het zo dat enkel de bisschoppen stemrecht hebben tijdens de synode.

bisschoppensynode (106) LR jan_schotte

De Bisschoppensynode van 2012.

Op zondag 7 oktober 2012 opende paus Benedictus XVI plechtig een nieuwe bisshoppensynode.

Ongeveer 262 aartsbisschppen, bisschoppen, kerkleiders, specialisten en andere deelnemers zullen zich gedurende enkele weken (tot 28 oktober) buigen over het thema ‘Nieuwe evangelisatie voor het overdragen van het christelijk geloof’.

credo (111)

De aanleiding voor de synode kunnen we als volgt samenvatten:

  • de jarenlange zorg van de paus voor de overdracht van het geloof in het onkerstende westen
  • de 50ste verjaardag van de opening van de Tweede Vaticaans Concilie (11 oktober 1962)
  • het jaar van het geloof dat de paus heeft afgekondigd en dat loopt van 11 oktober 2012 tot 24 november 2013
  • de twintigste verjaardag van de publicatie van de Catechismus van de Katholieke Kerk (11 oktober 1992)

bisschoppensynode (104) LR

Verrijzenis of reïncarnatie?

Over het leven bestaan er vele visies en opvattingen. Sommige zijn zeer persoonlijk samengesteld. ‘Ieder zijn gedacht’.
In deze catechese wil Jongerlo het katholieke antwoord formuleren op vragen als: Hoe zit het met mijn lichaam bij de dood?
Leef ik op aarde maar één keer of leef ik op aarde verschillende keren en steeds weer anders? Kort gezegd: het gaat over het vraagstuk ‘verrijzenis of reïncarnatie?’

verschijning (02)

Een kernelement van ons geloof.

Over het thema van het leven na de dood is in de katholieke Kerk veel te zeggen. Voor ons thema beperken we ons echter tot de vraag of wij mensen hier op aarde slechts één keer leven of na de dood steeds terugkeren en steeds weer anders?

verrijzenis (01)

De Bijbel geeft ons al het antwoord op deze vraag: Het is het lot van de mens eenmaal te sterven, en daarna komt het oordeel. (Hebreeën 9,27)
In de geloofsbelijdenis bidden wij op zondag: “ik geloof in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven.”

Het geloof in de verrijzenis behoort daarom tot de kern van het katholieke geloof. We geloven het omdat het aan Jezus Christus gebeurd is, maar we geloven en bidden dat het ook ooit aan ons mag gebeuren. Christenen leven nu in deze tijd, maar wel met het oog op het hierna: het eeuwig leven. Christenen leven als het ware met de voeten op aarde, maar met het hoofd (en het hart) reeds in de hemel.

Jezus: de eerste die verrezen is.

Bij de evangelisten kunnen we lezen hoe de leerlingen aanvankelijk twijfelden aan het bericht dat Jezus was verrezen. Dat is niet moeilijk! Het graf van hun meester was immers leeg …Grafschennis, dacht men aanvankelijk (Mc 16, 1-8; Lc 24, 1-12; Joh 20,1-18).

Maar nadien verschijnt Jezus ook in hun midden (Lc 24, 13-53; Joh 20,19-31). En toen geloofden ze dat Jezus leeft!

Jezus’ verrijzenis is geen beeld om aan te tonen dat Hij verder leeft in de herinnering van zijn leerlingen, neen. Het is ook niet een beeld om te zeggen dat de ziel van Jezus nu in de hemel is en zijn lichaam hier nog ergens op aarde is, ook dat niet.

Wel was de verrijzenis van Jezus voor de eerste christenen iets heel concreet en reëel.

verrijzenis (03) lege_graf
Namelijk, dat Jezus nu in de hemel is bij God de Vader met zijn hele lichaam, zijn geest, zijn ziel, zijn hele persoon. Daarover getuigt het Nieuwe TestamentToen Jezus aan zijn leerlingen verscheen na zijn dood, deed Hij dat in een lichamelijke gestalte. Zo schrijft het Evangelied dat de leerlingen Hem herkenden aan de kruiswonden (Joh 20, 27).
Maar het lichaam van Jezus was tegelijk ook weer heel anders dan een aards lichaam. Zijn nieuwe lichaam was een voltooid of een ‘verheerlijkt’ lichaam. Het had niet meer de aardse beperktheden die wij allemaal kennen.

Het was dus echt het lichaam waarmee Hij aan het kruis had gehangen, maar tegelijk kon Jezus door dichte deuren heen bij zijn leerlingen komen. Het was dus niet meer aan tijd en ruimte gebonden zoals ons ‘normale’ aardse lichaam.

verschijning (01)

De verrijzenis gebeurt ook aan ons.

De verrijzenis van het lichaam heeft ook betrekking op ons zelf. Paulus schreef het al aan de christenen van Rome: “als de Geest van Hem die Jezus van de doden heeft opgewekt, in u woont, zal Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan, ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft” (Rom 8,11).

Als God de mens met lichaam, geest en ziel geschapen heeft naar zijn Beeld en Gelijkenis, dan mogen wij ook aannemen dat God voor de gehele mens een bestemming bereid heeft.

Als Schepper en als laatste instantie neemt God ons leven heel serieus: geheel ons mens-zijn, inclusief onze lichamelijkheid.

Jezus droeg na zijn verrijzenis uit de dood de tekenen van zijn marteling nog steeds in zijn lichaam. De kruisdood werd niet als onbelangrijk afgedaan.

Maar Jezus werd er ook niet meer door gekweld: zijn lijden was door Gods liefde tot iets heel nieuws getransformeerd. ‘Verheerlijking’ noemen we dat. Zo zal dat ook met ons zijn, als wij in Gods liefde leven en sterven.

verrijzenis (04)

Reïncarnatie.

Reïncarnatie kan niet verzoend worden met het geloof in de verrijzenis. Reïncarnatie neemt het lichaam in feite niet ernstig. Want het lichaam wordt er opgevat als was het een tijdelijk voertuig voor je ziel, dat je kan verlaten om er nadien een ander te nemen.

Zo’n opvatting is erg dualistisch en staat haaks op het Bijbelse beeld van de mens. In de christelijke traditie is de mens: lichaam, ziel, verstand. De mens heeft geen lichaam, hij IS een lichaam. Wanneer je ziek te bed ligt zeg je toch niet: “mijn lichaam heeft een ziekte”, maar wel “ik ben ziek”

Je lichaam en je geest vormen één geheel als mens. Ze beïnvloeden elkaar wederzijds. Als je iemand graag ziet (is iets van je geest) die je al lang niet meer hebt gezien dan vlieg je hem of haar toch om de nek! Je lichaam spreekt dan voor je geest. Omgekeerd kan het ook. Het menselijk lichaam is dus geen omhulsel dat je zomaar kan afstoten zoals een nieuwe vlinder met zijn cocon doet.
Reïncarnatie en verrijzenis kunnen ook logisch gezien niet samengaan. Als onze ziel in verschillende lichamen zou zijn geweest, zouden we met een hele serie lichamen moeten verrijzen.

Misschien kan iemand hier met veel redeneringen nog wel een mouw aan passen, maar dan moeten we toch verwijzen naar wat Jezus tegen de Sadduceeën zei. Die probeerden zijn verkondiging van de opstanding der doden belachelijk te maken met een kunstig verhaaltje over een vrouw die achtereezeven mannen had gehad. Zei stelde Jezus daarop de vraag: “Van wie van hen is zij bij de verrijzenis nu de vrouw?”. Jezus zei: “U zit op een dwaalspoor, omdat jullie de Schriften niet kennen en evenmin de macht van God…” (Lc 20, 27-39).

reincarnatie (01)

Conclusie: Heilig omgaan met je lichaam.

God neemt het lichaam van een mens heel ernstig. Na de dood treedt er dus geen reïncarnatie op.

De mensen zullen met hun eigen lichaam verrijzen dat zij nu hebben. Dat lichaam zal echter veranderd worden in een verheerlijkt lichaam, zo stelt de Catechismus van de Katholieke Kerk (CKK 999).

De Kerk is daarmee trouw aan wat Jezus verkondigde en aan wat Hij liet zien door zijn verrijzenis. De Kerk staat ook geheel in lijn met de Bijbel: reïncarnatie komt in de Bijbel niet voor.

We kunnen nu concluderen dat reïncarnatie niet thuis hoort in het christelijk geloof. De eerbied waarmee een overledene in de Kerk wordt omringd drukt dit uit.

Het dode lichaam van een overledene wordt bewierookt bij de uitvaart uit eerbied omdat zijn lichaam een tempel was van God.

De visie op het menselijk lichaam nodigt ons uit om met je lichaam ‘ja’ te zeggen aan de liefde van God en het niet te gebruiken voor egoïsme en zonde.

Sint-Paulus riep de Korintiërs al op “Eert dan God met uw lichaam” (1Kor 6,20). Wat een perspectief voor ons! Wij kunnen dus God verheerlijken door de manier waarop wij respect hebben voor de grootsheid van ons eigen lichaam.

verrijzenis (05)

De barmhartigheid van God

God is barmhartig.

Het wezen van God wordt in de H. Schrift met vele begrippen omschreven. Hij is heilig (bv. Ex. 19,16-20) en goed (bv. Ps. 119,68), almachtig (Job 42,2) en trouw (Deut. 7,9). Christus heeft ons geopenbaard dat God vooral ook liefde is (1 Joh. 4,8).

Maar tot wat God tot in het diepst van zijn wezen kenmerkt behoort zeker ook zijn barmhartigheid. In haar lofzang zingt Maria: “Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht voor hen die Hem vrezen” ‘Lc 1,50). Vele bladzijden van de Bijbel spreken van Gods barmhartigheid of erbarming. Kenmerkend is dan vooral dat God zijn barmhartigheid toont in daden. Het is iets wat je kan ervaren en aan den lijve kan ondervinden. Het behoort tot de orde van de concrete werkelijkheid.

Het meest nog spreken de psalmen over Gods barmhartigheid. Zij tonen zo dat Gods goedheid het haalt boven straf en vernietiging. “Hij is het die u uw schulden vergeeft, die u geneest van uw kwalen, Hij is het die u van de ondergang redt, die u omringt met zijn gunst en erbarmen” (Ps. 103, 3-4).

logo_jaar_barmhartigheid_2016 (102b) LR
Nog uitdrukkelijker getuigt een andere psalm van de concrete tekenen van de barmhartigheid: “Gevangenen geeft Hij de vrijheid. De ogen van de blinden opent de Heer, gebrokenen richt Hij weer op. De Heer bemint de rechtvaardigen, de Heer behoedt de ontheemden. De Heer geeft wees en weduwe steun, maar zondaars laat Hij verdwalen” (Ps. 146, 7-9). En ten slotte volgen hier andere uitdrukkingen van de psalmist: “Gebroken harten geneest Hij weer, Hij heelt alle bloedende wonden … De Heer verheft de vernederden, maar zondaars werpt Hij ter aarde” (Ps. 147, 3.6).

Kortom, de barmhartigheid van God is niet een abstract idee, maar een concrete werkelijkheid waarmee Hij zijn liefde openbaart als die van een vader en een moeder die vanuit het diepste van hun wezen bewogen raken om hun kind. Het is waarlijk op zijn plaats te zeggen dat het een liefde is die het diepste innerlijk van de persoon betreft. Zij komt vanuit het binnenste als een diep, natuurlijk gevoel, zij bestaat uit tederheid en medelijden, toegevendheid en vergeving.

barmhartigheid (101) LR

Jezus, de Barmhartige.

Gods barmhartigheid kent een bijzondere gestalte in de persoon en het handelen van Jezus. Hij toont ons de barmhartigheid van zijn Vader. Jezus voelt jegens de menigte mensen die Hem volgden, vanuit het diepst van zijn hart een sterk medelijden voor hen, wanneer Hij ziet dat ze moe en uitgeput zijn.

Krachtens deze medelijdende liefde genas Hij de zieken die bij Hem werden gebracht en met weinig broden en vissen stilde Hij de honger van grote menigten.

Wat Jezus in alle omstandigheden bewoog, was niets anders dan de barmhartigheid waarmee Hij in het hart las van zijn gesprekspartners en antwoordde op hun meest werkelijke verlangen.

Toen Hij de weduwe van Naïm, die haar zoon ten grave droeg, ontmoette, voelde Hij diep medelijden met dat immense verdriet van de bedroefde moeder en gaf haar haar zoon terug door hem uit de dood op te wekken.

Na de bezetene van Gerasa te hebben bevrijd vertrouwt Hij hem deze zending toe: “Ga naar huis, naar de uwen en vertel hun alles wat de Heer aan u gedaan heeft en hoe Hij u barmhartigheid heeft bewezen” (Mc. 5, 19).

genezing blinde (104) LR icoon
Ook de roeping van Matteüs staat in het perspectief van de barmhartigheid. Toen Jezus aan het tolhuis voorbijkwam, richten zijn ogen zich op die van Matteüs. Het was een blik vol barmhartigheid, die de zonden van die man vergaf, en de weerstand van de andere leerlingen overwinnend, koos Hij hem, de zondaar en de tollenaar, om een van de Twaalf te worden.
De heilige Beda Venerabilis heeft in zijn commentaar op deze scène uit het Evangelie geschreven dat Jezus met barmhartige liefde Matteüs aankeek en hem koos: miserando atque eligendo.
evangelist_matteus (102) HR caravaggio

Parabels van barmhartigheid.

Sommige parabels van Jezus zijn gewijd aan de barmhartigheid. Daarin openbaart Jezus de natuur van God als die van een Vader die zich nooit gewonnen geeft, totdat Hij de zonde heeft opgeheven en de afwijzing heeft overwonnen met medelijden en barmhartigheid. Wij kennen deze parabels, drie met name: die van het schaap dat verloren was (Lc 15,1-8), en het verloren muntstuk (Lc 15,9-10) en die van de vader en zijn twee zoons (Lc 15,11-32). In deze parabels wordt God altijd voorgesteld als vol van vreugde, vooral wanneer Hij vergeeft. Hierin vinden wij de kern van het Evangelie en van ons geloof, omdat de barmhartigheid wordt voorgesteld als de kracht die alles overwint, die het hart met liefde vervult en troost met de vergeving.

verloren_zoon (101) LR Rembrandt
Maar er is zeker ook de parabel van de barmhartige Samaritaan (Lc 10,25-37).

Deze parabel vertelt Jezus als antwoord op de vraag van een wetgeleerde. Het voornaamste gebod is: God beminnnen en de naaste beminnen. Waar wie is dan mijn naaste? Jezus vertelt dat zijn parabel om aan te geven wat het betekent de naaste te zijn van iemand. De priester en leviet in elk geval niet. Wel de Samaritaan heeft zich door zijn barmhartigheid de naaste getoond. “Hij die barmhartigheid getoond heeft”, zo luidde het antwoord. “Ga dan en doet gij evenzo”.

Vele kerkvaders hebben deze parabel ook gelezen als een parabel over Jezus zelf: de Samaritaan wordt dan geïdentificeerd met Jezus. Is Hij immers niet degene die zich over de gevallen en terneergeslagen mensheid heeft ontfermd, haar zonden op zijn kruis heeft getild en tenslotte toevertrouwd aan de zorgen van de Kerk?

barmhartige_samaritaan (102) LR van_ gogh

Barmhartigheid als christelijke levensstijl.

“Ga dan en doet gij evenzo”. Nog een andere parabel toont hoe deze barmhartigheid ook onze christelijke levensstijl moet kenmerken. Uitgedaagd door de vraag van Petrus hoe vaak men moest vergeven, antwoordt Jezus: “Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal” (Mt. 18, 22), en Hij vertelde de parabel van de “meedogenloze dienaar”. Deze, door zijn heer geroepen om een grote som terug te betalen, smeekt hem op zijn knieën en de heer schenkt hem zijn schuld kwijt. Maar onmiddellijk daarna ontmoet hij een andere dienaar zoals hij, die hem een paar cent schuldig is en hem op de knieën smeekt medelijden te hebben, maar hij weigert en laat hem gevangen zetten.

Dan ontsteekt de heer, wanneer hij dit te weten is gekomen, in grote toorn en na die dienaar weer te hebben geroepen zegt hij tegen hem: “Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad?” (Mt. 18, 33). En Jezus sloot af: “Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt” (Mt. 18, 35).

vergeving (100) LR
De parabel bevat een diep onderricht voor ieder van ons. Jezus zegt dat medelijden niet alleen het handelen van de Vader is, maar het criterium wordt om te begrijpen wie zijn ware kinderen zijn. Kortom, wij zijn geroepen te leven van barmhartigheid, omdat ons als eersten barmhartigheid is bewezen. Het vergeven van beledigingen wordt de duidelijkste uitdrukking van de barmhartige liefde en is voor ons christenen een imperatief waarvan wij niet mogen afzien. Hoe moeilijk lijkt het zo vaak om te vergeven! En toch, de vergeving is het instrument dat in onze broze handen is gelegd om de vrede van het hart te bereiken. Wrok, woede, geweld en wraak laten varen is een noodzakelijke voorwaarde om gelukkig te leven.

Laten wij derhalve de aansporing van de apostel aanvaarden: “De zon mag over uw toorn niet ondergaan” (Ef. 4, 26). En luisteren wij vooral naar het woord van Jezus, die de barmhartigheid heeft gesteld als een levensideaal en als een criterium van geloofwaardigheid voor ons geloof: “Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden” (Mt. 5, 7), is de zaligspreking waardoor wij ons met een bijzondere inzet moeten laten inspireren.

barmhartigheid (103) LR

Youcat – de jongerencatechismus van de Katholieke Kerk

Wat is een catechismus?

In het woord ‘catechismus’ horen we het woord ‘catechese’ doorklinken en daar heeft een catechsimus dan ook alles mee te maken. Beide woorden zijn afgeleid van het Griekse werkwoord katechéo dat ‘onderrichten’ betekent. In zijn christelijke betekenis verwijst ‘catechese’ dan naar de onderrichting in het christelijke geloof en is een ‘catechismus’ dan het boek dat daarbij als hulpmiddel gebruikt wordt.

Reeds heel de kerkgeschiedenis door is het een belangrijke zorg geweest van de kerk om de belangrijkste basisgegevens van het christelijk geloof samen te vatten en op begrijpelijke wijze voor te stellen aan de gelovigen. In de eerste eeuwen werd deze taak meestal op zich genomen door de bisschop. Catechese was dan hoofdzakelijk een mondelinge aangelegenheid, waarbij de geloofsbelijdenis als structuur diende, en richtte zich vooral tot nieuwe gelovigen die zich voorbereidden op het doopsel. Dat doopsel werd toegediend in de paasnacht en de veertigdagentijd die aan Pasen voorafgaat was daarom de meest geschikte tijd om aan catechese te doen.

clovis_LR (01) doop
Sommige bisschoppen probeerden de essentie van het christelijk geloof ook neer te schrijven in een handig boekje. De H. Augustinus bijvoorbeeld (354 -430) schreef zo’n werkje onder de titel ‘Handboek over geloof, hoop en liefde’. Maar het spreekt voor zich dat hiermee enkel de mensen bereikt werden die konden lezen en schrijven.
Pas veel later ontstond het genre van de catechismus zoals we die nu kennen.
De eer komt toe aan de Nederlands jezuïet Petrus Canisius Hij is in 1554 de eerste geweest die een poging ondernam om de katholieke geloofsleer op eenvoudige wijze samen te vatten aan de hand van vragen en antwoorden.

Hij richtte zich daarmee tot volwassenen die door door het protestantisme in verwarring waren gebracht en niet meer wisten wat nu de juiste geloofsleer was.

catechsimus_LR (01) jules alexis muenier

Nadien volgden nog vele andere catechismussen. Zo gaf het concilie van Trente (1545-1563) aan de H. Carolus Borromeo de opdracht een Romeinse Catechismus op te stellen (1566). Maar het meest beroemd is wellicht de Mechelse Catechismus die, opgesteld door de jezuïeten in 1609, tot in de 20ste eeuw in gebruik is geweest. Nadien volgde de ‘Catechismus ten behoeve van de Belgische Bisdommen’ in 1946, net zoals de voorgaande edities opgesteld in vraag en antwoord.

Ook na het Tweede Vaticaans Concilie werd hier en daar een initiatief genomen om een catechismus samen te stellen. Zo brachten in 1966 de Nederlandse bisschoppen een Nieuwe Catechismus uit, die drie jaar later op vele punten gecorrigeerd en herzien werd.

catechsimus_LR (02)

De Catechismus van de Katholiek Kerk?

Het is wellicht de ironie van de geschiedenis om te moeten vaststellen hoe in de Lage Landen, de bakermat van zovele catechsimussen, de gelovigen bitter weinig weten over de inhoud van het christelijke geloof of de katholieke geloofsleer. Onmiskenbaar komt men tot de vaststelling dat heel Europa op enkele decennia tijd grotendeels ontkerstend is geworden.

Tot die vaststelling is ook paus Johannes II gekomen, enkele jaren na het begin van zijn pontificaat. Afkomstig uit het zo katholieke Polen moet hij wel geschrokken zijn geweest van het seculiere Europa. Begrijpelijk hoe hij dan ook opriep tot een Nieuwe Evangelisatie van Europa.

Tegen de achtergrond van deze ‘campagne’ voor een nieuwe evangelisatie ontstonden weer nieuwe intitiatieven.
De Duitse bisschoppen publiceerden in 1985 een lijvig boek ‘De geloofsbelijdenis van de Kerk’, terwijl de Belgische bisschoppen twee jaar later een meer toegankelijk werk publiceerden onder de titel ‘Geloofsboek‘.

catechismus_LR (07) geloofsboek

Maar ook paus Johannes Paulus II werkte aan zijn eigen Nieuwe Evangelisatie. In 1985 werd op een bisschoppensynode opgeroepen tot de uitgave van een Catechismus of een Compendium van de katholieke leer. Een jaar later werd een commissie in het leven geroepen en in 1992 zag de eerste (Franse) versie van de ‘Catechismus van de Katholieke Kerk’ het levenslicht. Een nieuwe commissie, onder het voorzitterschap van kardinaal Ratzinger (de huidige paus), bracht de definitieve Latijnse standaardeditie uit in 1997. En die is intussen ook in het Nederlands vertaald. Maar hier bleef het niet bij. Omdat de catechismus zo’n dik boek was werd in 2005 een samenvatting gemaakt volgens de structuur van vraag en antwoord: het Compendium van de Cartechismus van de Katholieke Kerk. En in 2004 werd de catechismus aangevuld met een ‘Compendium van de Sociale Leer van de Kerk’.

De Catechismus van de Katholieke Kerk is een lijvig naslagwerk geworden, opgebouwd uit vier grote delen:

  1. De geloofsbelijdenis. Overeenkomstig de structuur van de geloofsbelijdenis wordt de inhoud van het geloof voorgesteld, uiteengezet en uitgebreid toegelicht.

  2. De viering van het Christusmysterie. Het geloof moet iet alleen gekend worden, maar ook (liturgisch) gevierd. Dit deel gaat dus over de liturgie en de sacramenten.

  3. Het leven in Christus. Dit derde deel maakt duidelijk dat geloof niet enkele gekend en gevierd moet worden, maar ook beleefd. Geloof en leven hangen nu eenmaal nauw samen. De 10 geboden krijgen hier ruime aandacht.

  4. Het christelijke gebed. Een geloofsbeleving kan niet zonder een persoonlijke relatie met God en met Christus. Daarom sluit de catchismus af met een deel over het gebed.

catechismus_LR (08) ckk

Na de dood van paus Johannes Paulus II is paus Benedictus XVI de Nieuwe Evangelisatie niet vergeten. Ook hij is getroffen door de schrijnende onwetenheid van de gelovigen en de groeiende ontkerstening van Europa. Vandaag de dag zijn de christenen echte geloofsanalfabeten geworden. Geloofsvorming is broodnodig (en dat proberen wij hier op jongerlo.org al vele jaren aan te werken!). Daarom heeft paus Benedictus op 28 juni 2010 een nieuwe Raad voor de Bevordering van de Nieuwe Evangelisatie opgericht en riep hij voor oktober 2011 een bisschoppensynode samen die zich over het thema van de Nieuwe Evangelisatie zal buigen.

YOUCAT – de jongerencatechismus.

Gedurende twintig jaar zijn dus vele initiatieven genomen voor een Nieuwe evangelisatie en de opstelling van een hedendaagse Catechismus waarin de katholieke geloofsleer integraal wordt samengevat.

wjd_madrid_LR (01)

De jongeren zijn in heel dit verhaal niet vergeten. Denken we maar aan de organisatie van de Internationale Wereldjongerendagen sinds 1986 op initiatief van paus Johannes Paulus II als onderdeel van de Nieuwe Evangelisatie. Dit jaar werd een nieuwe stap gezet met de uitgave van een catechismus die speciaal tot jongeren is gericht: de YOUCAT (YOUth-CATechism). Er werd hard aan gewerkt om hem klaar te hebben tegen de 12de Internationale Wereldjongerendagen in Madrid.

Het eerste wat opvalt is zijn frisse uitgave. Youcat is meteen herkenbaar aan zijn fel gele kaft die in alle taalversies dezelfde is. Binnenin oogt hij mooi door een sobere en praktische maar toch moderne lay-out. Er werden ook vele foto’s en tekeningetjes in opgenomen bij wijze van illustratie.

catechismus_LR (06)

Maar dat is slechts de uiterlijke weergave. Belangrijker is natuurlijk de inhoud. En hier valt meteen op dat Youcat aansluit bij de traditie van vraag en antwoord. Het centrale gedeelte van de bladspiegel is daarvoor gereserveerd. Eerst wordt een vraag geformuleerd. Daaronder volgt een antwoord. En daaropvolgend een korte extra toelichting. In totaal komen 527 vragen aan bod!

In de marge van de bladspiegel is ruimte voorzien voor korte citaten. Ze zijn afkomstig van heiligen of belangrijke figurenuit de kerkelijke traditie. Maar er zijn ook passende bijbelteksten opgenomen of korte zinsneden uit liturgische teksten. Soms wordt een begripsverklaring opgenomen. Symbooltjes geven telkens aan of het om een citaat, een schrifttekst of een woordverklaring gaat. Een rijke variatie dus. Op het einde van het boek is ook een trefwoordenlijst opgenomen

catechismus_LR (04) youcat
De 527 vragen en antwoorden zijn ondergebracht in de vier delen waaruit het boek is opgebouwd. Youcat volgt daarmee de structuur van de Catechismus van de Katholiek Kerk. Maar de titels zijn anders geformuleerd:

  1. Wat wij geloven.
  2. Hoe wij de christelijke geheimen vieren.
  3. Hoe wij in Christus het ware leven vinden.
  4. Hoe wij kunnen bidden.

Bij wijze van voorbeeld geven we hier een bladzijde weer uit de YOUCAT:

catechsimus_LR (03)

De encycliek ‘Deus caritas est’ (God is liefde)

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

De Geloofsbelijdenis: algemene inleiding

Volgende maand, in oktober 2012, gaat in de Kerk het Jaar van het Geloof van start. Het wordt een jaar waarin wij onze geloofsschat beter mogen leren kennen; een jaar waar ons leven en de sacramenten van eucharistie en verzoening weer inniger bij elkaar mogen komen.

Vandaar lijkt het ons passend om in deze catechese op een algemene manier kennis te laten maken met het Credo, onze Geloofsbelijdenis.

credo (111)

Wat zijn geloofsbelijdenissen?

Geloofsbelijdenissen zijn korte formules die uitdrukken in wie en wat de Kerk gelooft. Het wordt ook Credo genoemd. De Kerk geeft hiermee samenvattend aan, al vanaf haar eerste begin, waarin zij gelooft. Zo wordt aan alle gedoopten een gemeenschappelijke geloofstaal aangeboden en aangeleerd. Het is trouwens dé sterkte van een katholiek dat hij overal ter wereld, samen met andere katholieken, hetzelfde gelooft binnen de ene katholieke Kerk, van alle tijden en van alle plaatsen.

De oudste geloofsformules vinden wij terug bij het doopsel in het Nieuwe Testament. De heilige apostel Petrus roept uit: “Maar Heer, naar wie zouden wij gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven” (Joh. 6, 68).

De heilige apostel Thomas belijdt zijn geloof in de Verrezene met de woorden: Mijn Heer en mijn God (Joh. 20,28). Als iemand gedoopt wordt is dat steeds ‘in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest’ (Mt. 28,19).
Sint-Paulus spoort de Kerk van Rome aan met de woorden: “Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, zult gij worden gered.” (Rom. 10,9)

Deze korte geloofsfomules in de H. Schrift drukken reeds een aantal wezenlijke bouwstenen van ons geloof: de Drie-eenheid, de goddelijkheid van Jezus, zijn verrijzenis en zijn heerschappij, het eeuwig leven ….

credo (107)

De Geloofsbelijdenis van de Apostelen

Naast de vele en vaak persoonlijke geloofsformules zijn er twee geloofsbelijdenissen die het belangrijkst zijn: de geloofsbelijdenis van de apostelen én de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel.

Allereerst is er de de geloofsbelijdenis van de apostelen, ook wel eens “de Twaalf Artikelen van he tgeloof” genoemd.
Het is een geloofsformule die in Rome werden gebruikt bij het doopsel. In de eerste eeuwen van de Kerk werden voornamelijk volwassenen gedoopt. Het gebeurde soms dat hele gezinnen: ouders en kinderen zich tegelijk lieten dopen.
Vooraleer volwassenen het sacrament van het doopsel ontvangen dienden ze op de hoogte te zijn van de inhoud van het christelijke geloof.
Hoewel het de bijnaam ‘Twaalf Artikelen’ kreeg, zien we dat de belijdenis slechts uit drie delen bestaat. In feite is het, naar zijn historische ontwikkeling, niets anders dan een uitgebreide vorm van de doopformulering die Jezus zelf aan zijn leerlingen gaf: “Gaat dus en maakt alle volkeren tot Mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest” (Mt. 28, 19).

credo (100)
De geloofsbelijdenis van de Apostelen gaat als volgt:
Ik geloof:VADER

1. in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde.<ZOON
2. En in Jezus Christus, Zijn enige Zoon, onze Heer,
3. die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;
4. die geleden heeft onder Pontius Pilatus, gekruisigd is, gestorven en begraven,
5. die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de doden;
6. die opgevaren is ten hemel en zit aan de rechterhand van God, Zijn almachtige Vader,
7. vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden.

H. GEEST
8. Ik geloof in de Heilige Geest;
9. de heilige katholieke Kerk; de gemeenschap van de heiligen;
10 de vergiffenis van de zonden;
11 de verrijzenis van het lichaam;
12 het eeuwig leven.
Amen.

De Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel

Deze geloofsbelijdenis kwam tot stand in een tijd dat de goddelijkheid van Jezus en de H. Geest in twijfel getrokken werd (arianisme). De geloofstwisten die daaruit ontstonden leidden er toe dat keizer Constantijn het nodig achtte een vergadering van alle bisschoppen samen te roepen om deze kwestie te bespreken en klaarheid te scheppen.

Deze geloofsbelijdenis mag dus gezien worden als de vrucht van de eerste twee grote Kerkvergaderingen (= Concilies). Het eerste Concilie vond plaats in Nicea in het jaar 325, het tweede ging door in de stad Constantinopel in het jaar 380.

Deze geloofsformulering is tot op de huidige dag gemeenschappelijk voor alle grote kerken van Oost en West.

concilie_chalcedon_LR (01)
Ik geloof:
VADERin één God de almachtige Vader
Schepper van hemel en aarde, van al wat zichtbaar en onzichtbaar is.

ZOONEn in één Heer, Jezus Christus,
eniggeboren Zoon van God,
vóór alle tijden geboren uit de Vader.
God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God.
Geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader,
en door wie alles geschapen is.
Hij is voor ons, mensen, en omwille van ons heil uit de hemel neergedaald.
Hij heeft het vlees aangenomen door de heilige Geest uit de Maagd Maria
en is mens geworden.
Hij werd voor ons gekruisigd,
Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus en is begraven
Hij is verrezen op de derde dag, volgens de Schriften.
Hij is opgevaren ten hemel: zit aan de rechterhand van de Vader.
Hij zal wederkomen in heerlijkheid om te oordelen levenden en doden
en aan zijn rijk komt geen einde.H. GEEST

Ik geloof in de heilige Geest die Heer is en het leven geeft die voortkomt uit de Vader en de Zoon;
HeiligeGEEST
die met de Vader en de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt; die gesproken heeft door de profeten. Ik geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk. Ik belijd één doopsel tot vergeving van de zonden. Ik verwacht de opstanding van de doden en het leven van het komend rijk.

Amen.

Wat leren deze geloofsbelijdenissen ons?

Ten eerste: het geloof is eenvoudig. Wij geloven in God – in God, de oorsprong en het doel van het menselijk leven. In God die zich met de mensen bemoeit, die onze afkomst en onze toekomst is.

Zo is het geloof ook tegelijk hoop, zekerheid, dat wij de toekomst hebben en dat wij niet in het niets weg vallen. En het geloof is liefde, opdat de liefde van God ons aansteken moge.

Dat is het eerste: we geloven eenvoudigweg in God. En dat betekent hoop, dat betekent liefde.

credo (104)

Ten tweede kunnen we vaststellen dat de geloofsbelijdenis geen opsomming van regels is, geen theorie. Oorspronkelijk ligt de geloofsbelijdenis verankerd in het gebeuren van het Doopsel – in een moment van ontmoeting van God en mens. God buigt zich over de mens in het geheim van het Doopsel, Hij komt ons tegemoet en brengt ons zo tot elkaar. Het Doopsel betekent, dat Jezus ons, om het zo te zeggen, als zijn broer of zus en daarmee als kind in de familie van God wil adopteren. Zo maakt God ons daarmee tot één grote familie in de wereldwijde Kerk. Ja, wie gelooft is nooit alleen. God komt ons tegemoet.

Gaan ook wij God tegemoet, dan gaan we naar elkaar toe. Laten we niemand van de kinderen van God alleen, voorzover het in onze macht ligt!

credo (110)

Voor wie is de geloofsbelijdenis bestemd?

Wanneer gedoopten de geloofsbelijdenis uitspreken (belijden) dan zegt ieder persoonlijk: “Ik geloof.” Hiermee zeg men: Ik beken me tot wat WIJ geloven.

Een gemeenschappelijk geloof heeft immers nood aan een gemeenschappelijke geloofstaal die voor allen de normen stelt en die allen verzamelt in het belijden van hetzelfde geloof.

credo (101)
In sommige parochies in Vlaanderen is het misbruik ontstaan dat men een eigen geloofsbelijdenis hebben geschreven. Precies zoals de geloofsbelijdenis van de apostelen of dat van Nicea-Constantinopel moeten parochianen deze teksten hardop meelezen en bidden. Het argument is vaak dat de officiële Credo’s onverstaanbaar zijn. Toch doet elke herschrijving of uitvinding afbreuk aan de volheid van het katholiek geloof wat overal ter wereld hetzelfde is. Heel vaak laten eigen geschreven geloofsbelijdenissen één of meerdere geloofsartikels achterwege: bijvoorbeeld de goddelijke natuur van Jezus Christus, het eeuwig leven, vergeving van zonden of de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk.
Voor de Kerk staat het vast dat de twee geloofsbelijdenissen de norm is van het katholiek geloof. Dit is ons geloof, dat belijden wij. Het is dat wat publiek beleden wordt in elke zondagsmis of bij elk hoogfeest: namelijk het gemeenschappelijk geloof dat van de apostelen komt, wat zij van Jezus ontvingen, van God zelf. De heilige Ireneus van Lyon sprak in deze context dat er geen superieur christendom voor intellectuelen bestaat. Het geloof wat wij belijden is niets anders dan het geloof dat in de de geloofsbelijdenis vervat ligt en dat we van de apostelen ontvingen, wat terug gaat op God zelf. “Indien zij dit geloof aanhangen, dat openlijk door de Apostelen aan hun opvolgers is doorgegeven, dan moeten de christenen zich houden aan wat de Bisschoppen zeggen, moeten zij in het bijzonder acht slaan op het onderricht van de Kerk van Rome, die de voorrang heeft en de oudste is. Deze Kerk heeft, vanwege haar oudheid, de meeste apostoliciteit. Zij ontleent immers haar oorsprong aan de steunpilaren van het apostelcollege, Petrus en Paulus. Met de kerk van Rome moeten alle kerken overeenstemmen en in haar de norm erkennen van de ware apostolische traditie, van het gemeenschappelijke geloof van de Kerk.”
credo (102)

Wanneer bidden wij de Geloofsbelijdenis?

Heel concreet bidt de Kerk tijdens de liturgie de geloofsbelijdenis op zondagen en hoogfeesten. We doen dit al biddend of al zingend, in het Nederlands of het Latijn. Zo drukt de verzamelde geloofsgemeenschap haar katholieke identiteit uit.
In feite herken je gelovigen aan het belijden van hun geloof, zoals Petrus of Thomas deed. De geloofsbelijdenis kunnen we daarom de identiteitskaart van een christen noemen.

We tonen onze identiteit bij uitstek tijdens de heilige Eucharistie op zondagen en hoogdagen. Maar de Kerk spoort iedere gelovige aan dit niet alleen tijdens de eredienst te bidden, maar ook persoonlijk en zelfs dagelijks bij je thuis. Wie de rozenkrans bidt, die begint meestal ook met het bidden van de geloofsbelijdenis.

credo (103)
credo (105))

De Geloofsbelijdenis: Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde.

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

Ik geloof

“Bewaar de u toevertrouwde schat
met de hulp van de heilige Geest die in ons woont.” (2 Tim. 1,14)

Als wij op zon- en feestdagen de geloofsbelijdenis bidden: gezongen of gesproken, in het Nederlands of het Latijn, dan zeggen wij als verzamelde geloofsgemeenschap: “Ik geloof” en niet “Wij geloven”. Waarom niet? We bidden het toch allemaal samen? En toch zegt ieder voor zich “‘Ik geloof – Credo”.
We kunnen maar “Ik geloof” zeggen dankzij het doopsel: de genade en het geloof dat wij van de Kerk ontvingen. Dus “Ik geloof – credo” sluit het “Wij geloven – Credimus” niet uit.

Het “wij geloven” is breed: het gaat om het geloof van de Kerk, het geloof dat het Volk van God al 17 eeuwen op deze wijze belijdt en uitdrukt. De formule die wij kennen als de geloofsbelijdenis stamt uit de 4de eeuw en werd door de Concilies van Nicea en Constantinopel bevestigd.

De tekst van de geloofsbelijdenis verzamelt christenen in hetzelfde geloof: met name in de Drie-ene God: Vader, Zoon en heilige Geest die liefde is (1 Joh 4,8). Telkens wanneer we de geloofsbelijdenis bidden dan ijken en herijken we ons eigen leven op het geloof in Christus.

In die zin is de geloofsbelijdenis veel meer dan een loutere formule met moeilijke woorden. Deze tekst spreekt ons over het wezen van God zelf en hoe deze zich geopenbaard heeft in de tijd en in de wereld.

Als we de geloofsbelijdenis bidden dan belijden wij niet zozeer een theorie, maar wel Iemand: God zelf die zich heeft getoond hier op aarde in zijn Zoon Jezus Christus die mensen tot z’n leerlingen maakte en zo de Kerk gesticht en gewild heeft als forum van Gods genadegaven doorheen de sacramenten.

Het is dus dankzij de Kerk, dankzij het doopsel, dat wij kunnen komen tot de belijdenis van het geloof. Want het doopsel maakt de weg vrij om de heilige Geest in onze ziel te laten wonen (2 Tim 1,14).

credo (113b)

In God.

“De Heer is een barmhartige God: lankmoedig, groot in liefde en trouw.” (Ex. 34,5-6)
Wij geloven en belijden dus God. De drie-ene God, Vader, Zoon en heilige Geest. Hij is het Onderwerp van het geloof.
Doorheen de tijden maakte God zich kenbaar aan deze wereld. Aanvankelijk slechts aan het volk Israël door Mozes en de profeten. Aan Mozes gaf God zijn naam: Ik ben die er is. (Ex. 3,13-15). God openbaarde zich in het Eerste Verbond als een God van eeuwigheid maar ook van trouw. Hij zal er altijd zijn voor z’n volk.

credo (109)
Als we het Oude Testament aandachtig lezen merken we dat het volk van God vaak zondigt tegen Gods geboden … maar desondanks blijft God hen trouw, want zo had Hij gezworen aan Abraham, aan Mozes, aan koning David, aan de profeten.

In Christus heeft God zichzelf geheel geopenbaard. Jezus Christus dus, het vlees geworden Woord, als mens tot de mensen gezonden, spreekt Gods eigen woorden (Job. 3, 34), en volbrengt het heilswerk dat de Vader Hem te doen gegeven heeft.
Jezus zelf zegt: “Wie Mij ziet, ziet de Vader”, vervult de Openbaring, brengt haar tot voltooiing en bekrachtigt haar met goddelijk getuigenis door geheel zijn tegenwoordigheid en verschijning, door woorden en werken, door tekenen en wonderen, vooral echter door zijn dood en glorievolle opstanding uit de doden.

credo (107)
En tenslotte door de zending van de Geest der waarheid, een waarheid die erin bestaat dat God met ons is om ons te bevrijden uit de duisternis van zonde en dood en ons op te wekken tot het eeuwige leven (Dei Verbum 4).
Christelijk geloven betekent dus de definitieve zelfopenbaring van God in Jezus Christus aanvaarden en op die openbaring antwoorden door je levenswandel af te stemmen op Hem. In feite dient elke christen zich over te geven aan God. Dat moeten niet alleen priesters en religieuzen doen (zij doen het heel expliciet), maar alle gelovigen zijn geroepen om God een bevoorrechte plaats te geven in het leven, niet slechts één uur per week op zondag, maar gedurende alle dagen doorheen gebed, goede werken, als ouder je kind christelijk opvoeden.
credo (110)
In de Kerk. Kan je dan in God geloven zonder je tot de Kerk te bekennen en zonder naar de kerk te gaan? Eigenlijk niet. Het geloof ontving je met het doopsel in de Kerk. Daar ontving jij het geloof. In de Kerk schenkt God zich op zo’n bijzondere en exclusieve manier doorheen de sacramenten, doorheen zijn Woord en dankzij de eenheid en het geloof van de Kerk, dat je Hem nergens beter zult leren kennen.
Geloof vraagt om verdieping, om voeding. Geloven is trouwens geen éénmanszaak… God schenkt nooit de genade van het geloof om een individualist of een egoïst te blijven of te worden. Doorheen de geschiedenis van de Bijbel zien we dat God steeds mensen roept om zich in dienst te stellen van het gehele volk van God. Vaak heel expliciet als Hij profeten of apostelen roept; maar ook roept Hij vele mensen tot het huwelijk om de scheppingsopdracht te volbrengen: de aarde te bevolken en vooral God helpen om zich een blijvend volk te verwerven. Om niemand anders is God mens geworden dan om jouw en mijn heil.

God is niet afgedaald uit den hoge voor de bomen alleen, neen, wel om de mensen te verlossen en weer te verenigen met Hem.

De Kerk gelooft en belijdt dat er na Jezus Christus geen publieke openbaring meer te verwachten is vóór de glorievolle wederkomst van onze Heer zelf. Wij leven dus in een gelovige tussentijd van wat wij al weten dankzij Gods Openbaring en wat wij nu geloven en waarop wij hopen en vertrouwen: de ontmoeting met God zelf die liefde is.

credo (114)

De almachtige Vader.

“De Heer draagt zorg voor U.” (Ps. 116,7b)

Over de almacht van God bestaan er heel wat misvattingen. Als we over Gods almacht spreken dienen we dat te doen met de Bijbel in de hand.

Elke vergelijking met een aardse politieke machthebber loopt immers mank als het om Gods Almacht gaat. Van alle eigenschappen van God (dat Hij liefde is, barmhartig, trouw, enzovoort) belijden wij alleen in de geloofsbelijdenis dat Hij almachtig is. En dit is van groot belang voor ons geloofsleven.

Hoe moeten wij die goddelijke almacht dan verstaan?

credo (115)
Gods almacht is universeel: niets of niemand kan zich onttrekken aan de almacht van God, want God die alles geschapen heeft (Gen. 1,1), regeert alles en kan alles.

Gods almacht is liefdevol: zijn almacht zit dus boordevol liefde, want God is onze Vader (Mt 6,9). Hij oefent zijn almacht steeds uit tot ons welzijn.
Gods almacht is mysterievol: ze is dus niet altijd goed door mensen te bergijpen en te doorgronden. Alleen het geloof kan haar onderscheiden – want kracht wordt in zwakheid volkomen (2 Kor. 12,9)

credo (117)
Verder lezen we in psalm 115,3: “Hij handelt zoals Hij verkiest.” De heilige Schrift spreekt ons meermaals over de universele macht van God. Hij wordt genoemd: de Sterke, de Machtige, de Heer der Heren, de God der goden (Ps. 24; Ps. 85; Ps. 135; Gen.49,24; Jes.1,24).

Als we de heilige Schrift lezen dan zien we dat de Almachtige God steeds trouw blijft aan Zijn verbond; dat Hij toornig wordt op hen die Zijn verbond met voeten treden; dat Hij zich ontfermt; zich bekommert om zijn kinderen, ook al als deze duistere wegen bewandelen (Ez. 18). Jammer genoeg krijgen wij op onze planeet talloze slechte voorbeelden van machtsmisbruik of van een heerszucht waardoor wij met een zeer gekleurde opvatting de woorden als macht of heerschappij begrijpen. Als Vader is Hij zorgzaam voor voor de mens.

“Hij koestert ze, zorgzaam als een Herder.” (Jes. 40,11)

Schepper van hemel en aarde.

“Ach, Heer god! Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt in uw grote macht,
met opgeheven arm. Niets is onmogelijk voor U.” (Jer. 32,17)

God is de Schepper van hemel en aarde, Hij is de Heer van het heelal. Zijn almacht is ook hierin werkzaam. Op welke manier? Hij is de oorsprong van scheppingsorde, deze blijft geheel aan Hem onderworpen, en Hij blijft erover beschikken.

Heel concreet geloven wij dat God de zon en de planeten geschapen heeft. Wie moeite heeft met het woord almacht in de schepping die kan eens kijken naar de zon. Niemand kan beweren dat de zon de dag genadeloos uitbuit of dat de maan de nacht zou vernietigen, integendeel. De woorden almacht en heerschappij krijgen in het licht van Gods openbaring een structurerende, ordenende en leidinggevende betekenis.

credo (118)
Te midden van de schepping schiep de Drie-ene God de mens. Hij schiep de mens niet naar willekeur maar wel naar Zijn beeld en gelijkenis. Identiek aan Gods’ handelen met de schepping kreeg de mens een identieke taak mee: “heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al het gedierte dat rondkruipt.” (Gen. 1,27-29) De scheppingsopdracht kan dus niet ingevuld worden als een repressieve of vernietigende activiteit.

credo (116)
De mens krijgt een verantwoordelijkheid mee als beheerder voor de schepping om er behoedzaam en zorgvol mee om te gaan, niet om erover te heersen als een vernietigende dictator.

“Hoeveel is het wat Gij gedaan hebt, Heer, en alles in wijsheid gemaakt. (Ps.104,24)

Laten we ons het vers uit de eerste Johannesbrief nog eens in herinnering roepen: “God is liefde” – deze drie-ene God die liefde is heeft de kosmos en de wereld geschapen. Dezelfde apostel Johannes schreef aan het begin van zijn evangelie: “Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is” (Joh.1,3). Sint-Paulus schreef aan de christenen van Kolosse: “Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem” (Kol. 1,16-17).

In de loop van de geschiedenis is de schepping vaak de deur geweest om tot het geloof te komen in de Schepper. De schoonheid van de natuur, de complexe verhoudingen tussen sterrenstelsels en andere natuurwonderen leiden tot het nederige besef dat Gods almacht dit alles heeft geschapen.

De heilige Bonaventura zei dat God alles geschapen heeft, niet om zijn heerlijkheid te vergroten, maar om deze heerlijkheid te tonen en mee te delen. Want God heeft geen andere reden om te scheppen dan zijn liefde en goedheid.

En het is in deze liefde en met deze goedheid dat Hij in zijn goddelijke Voorzienigheid de schepping leiding geeft.

“Het is immers altijd mogelijk uw macht te ontplooien
en wie zal er weerstaan aan de kracht van uw arm?” (Wijsh. 11,21)

credo (119)

De Geloofsbelijdenis: En in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer.

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

Ik geloof in Jezus Christus.

Aanluitend op het eerste artikel van onze geloofsbelijdenis, waarin wij ons geloof in God de Vader belijden, volgt het tweede artikel dat het geloof in onze Heer Jezus Christus, de Zoon van God, tot uitdrukking brengt.

Deze tweede stap is niet zonder belang. Want zo wordt allereerst de funcamentele structuur van het credo duidelijk. Die is immers drievoudig, in overeenstemming met de H. Drie-eenheid: ik geloof in God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest. Met de woorden “Ik geloof in jezus Christus, zijn enige zoon, onze Heer …’ wordt dan het tweede luik van het credo ingeleid dat handel over Jezus.

Maar dat de Zoon als tweede aan bod komt in het credo heeft uiteraard ook te maken met de geloofswaarheid dat God zich aan ons, mensen, kenbaar gemaakt heeft door Jezus Christus.

Wij kennen God dankzij Jezus Christus. Wie Mij ziet, ziet de Vader, zegt Jezus in het Johannes evangelie (14,9).

drie-eenheid_LR (01b)
Zo heeft de menswording van de Zoon van God, er in zekere zin toe geleid dat God zichtbaar, hoorbaar, tastbaar onder ons heeft gewoond. God kreeg in Jezus een stem en een gelaat. In Hem, zo zegt de apostel Paulus, is Gods genade verschenen aan alle mensen. (Titus 2,11) Of iets moeilijker geformuleerd: Jezus Christus is de openbaring van God.

Het Woord is mens geworden
en heeft bij ons gewoond,
vol van goedheid en waarheid;
en wij hebben zijn grootheid gezien,
de grootheid van de enige Zoon van de Vader.
(Johannes 1,14)

Dát is juist de kern van de Blijde Boodschap: dat God zijn Zoon heeft gezonden om ons te verlossen. Hij werd één van ons, opdat wij zouden worden zoals Hij. Paulus zegt het zo: “opdat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen” (1 Timoteüs 2,4).

credo (120)

Vele titels.

Het tweede artikel van de geloofsbelijdenis zegt veel in één keer. Allereerst is er sprake van Jezus. Het is de eigennaam die meteen uitdrukt wat zijn zending is in deze wereld. ‘Jezus’ betekent immers: ‘God redt’. Zijn naam drukt dus uit wat Hij gedaan heeft: Hij verlost ons uit de zonde, uit de macht vanhet kwaad en van de dood.

Als in één adem zeggen we ook ‘Christus’, dat afgeleid is van de Griekse vertaling van het Hebreeuwse ‘Messias’ en ‘Gezalfde’ betekent. In het oude Israël betekende de zalving dat men een zending van God ontvangen had. Dat kon de koning zijn, een profeet of een priester. De messiaanse zalving van jezus toont dus zijn goddelijke zending. Het is een gebeuren dat de evangelies koppelen aan Jezus’ doop in de Jordaan, toen Hij werd gezalfd met de heilige Geest en met macht (Handelingen 10,38).

Het is naar deze titel dat ook wij ‘christenen’ worden genoemd. Werden wij immers ook niet gezalfd met het chrisma op de dag van ons heilig Vormsel?

credo (121)
En betekent dit dan ook niet dat wij allen drager zijn van een bijzondere roeping en zending in deze wereld? De volgende de titel is ‘zoon van God’. In het Oude Testament wijst het zoonschap er op dateen persoon in een bijzondere relatie stond tot God. In het Nieuwe Testament wordt de titel voorbehouden voor Jezus en wijst deze op Jezus’ goddelijke oorsprong. Jezus is méér dan een mens. En dat willen we daan ook belijden en kenbaar maken door over Hem te getuigen als de Zoon van God: omdat Hij de Zoon van God is, IS Hij ook God. Hij is God van eeuwigheid af en tot in eeuwigheid. “Jezus Christus is dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid” (Hebreeën 13,8).
Hetzelfde kan gezegd worden van de laatste titel: ‘Heer’. Reeds in het oude Israël wordt ‘Heer’ (Kyrios in het Grieks) gebruikt als verwijzing naar de Jahwe, de naam waarmee God zich aan Mozes had gebaard en die de joden (nog steeds) uit eerbied niet uitspreken. Daarom zeggen ze ‘Adonai’ of ‘Heer’. Bij uitstek verwijst de titel dus naar godheid zelf van God.
Door de titel nu ook te gebruiken voor Jezus betekent dit dat Jezus ook zelf als God erkend wordt. Het mooist komt dit tot uiting in de paasverhalen over Jezus.
Zo roept, bij de verschijning van Jezus aan de Twaalf, de apostel Thomas uit: “Mijn Heer en mijn God!” (Johannes 10,28). En als Jezus verschijnt aan de oever van het meer, dan is het Johannes die Hem het eerst herkent en tot Petrus roept: “Het is de Heer!” (Johannes 21,7).
credo (122)

Jezus de vis.

De eerste christenen kenden en gebruikten ook deze titels van Jezus. En ze beseften de draagwijdte ervan. Ze hadden er in zekere zin ook een codetaal voor ontwikkeld. Zo vormen de beginletters van al deze titels het Griekse woord ICHTHYS, wat ‘vis’ betekent.

Voluit geschreven stond het dus voor: Iesus, CHristos, THeou (= van God), hYos (= Zoon), Soter (=Verlosser). Jezus Christus, Zoon van God en Verlosser. Een bondiger samenvatting kan met niet maken.

In de catacomben van Rome zijn nog steeds tekeningen en opschriften van dit vis-symbool te zien. (De winnaar van ons maandelijks Kwisspel, kan trouwens, onde rmeer, dit vis-symbool winnen).

credo (123)
credo (125)
credo (126)
credo (127)

Jezus Christus: God en mens.

De verschillende titels van Jezus in de geloofsbelijdenis hebben dus een diepe en verreikende betekenis. Ze drukken in eerste instantie de bijzondere positie van Jezus uit. Hij is een van ons geworden, maar Hij is tegelijkertijd ook veel méér. Ze verwijzen daarom vooral naar de goddelijke oorsprong van Jezus: Hij is van de Vader uitgegaan. Vooraleer iets anders te zeggen over Jezus wil het credo zo de goddelijkheid van Jezus onderstrepen.
Maar Jezus is ook mens. De menswording van de Zoon van God, en de historische werkelijkheid ervan, is dan ook het volgende artikel van het credo. Maar dat is dan het onderwerp voor een volgende catechese….

De Geloofsbelijdenis: Die ontvangen is van de heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, ….

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

Ontvangen van de H. Geest.

Allereerst willen we je uitnodigen om er even de H. Schrift bij te nemen, meerbepaald het Evangelie volgens Lucas 1,26–38. Wie dit stuk uit het H. Evangelie leest, kan merken dat alles wat de Kerk leert over de ontvangenis en de geboorte van Jezus diep geworteld is in wat hetevangelie ons hierover vertelt. Zoals steeds baseert de Kerk zich op de H. Schrift.

In de aangehaalde tekst lezen we over de aankondiging van de geboorte van Christus. We zien hoe de aartsengel Gabriël de Maagd Maria bezocht om haar bekend te maken dat zij zwanger zal worden:

“In de zesde maand werd de engel Gabriël door God naar een stad van Galilea gezonden, Nazareth genaamd, tot een maagd … de naam van de maagd was Maria” (Lc. 1, 26 -27)

aankondiging (101) LR

Maria altijd Maagd.

Het lag in Gods bedoeling dat Jezus Christus een menselijke moeder zou hebben, Maria, maar dat God zelf alleen zijn Vader zou zijn. Juist daardoor is het mogelijk geworden dat de Zoon van God, die uit de Vader voortkomt, dankzij Maria ook mens is kunnen worden om onze Verlosser te zijn.

God heeft dus Maria uitverkoren en voorbestemd om Moeder te worden van zijn Zoon. De Kerk leert aansluitend dat Maria haar maagdelijkheid steeds heeft bewaard: voor, tijdens en na de geboorte van Jezus.
Maar hoe kan Maria nu tegelijk Maagd en Moeder zijn? Hoe zij moeder zou worden was ook voor Maria zelf een groot mysterie. “Hoe zal dat geschieden daar ik geen omgang met een man heb?” (Lc. 1,34).

En de engel openbaart aan Maria het antwoord: “De Heilige Geest zal over u komen, zo vertelde hij haar, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen. Daarom ook zal het Heilige dat uit u geboren zal worden, Gods Zoon genoemd worden.” (Lc. 1, 35).

Die zoon moest ze de naam Jezus geven.
Het is de derde goddelijke persoon, de H. Geest zelf, die Maria uitkiest en de vrucht in Maria’s schoot legt. En voor God is niets onmogelijk. Op deze manier, doordat de Zoon van God werkelijk uit de schoot van Maria gekomen is, werd God werkelijk mens, zonder daarmee zijn goddelijke natuur te verliezen. Zo heeft Jezus Christus zowel een goddelijke als een menselijke natuur.

icoon moeder_gods_teken (100) LR

Maria onbevlekt ontvangen.

Waarom hecht de Kerk zo’n groot geloof aan de maagdelijkheid van Maria? Wat is de betekenis ervan? Een antwoord vinden we wellicht als we ook ons oog richten op de Onbevlekte Ontvangenis van Maria. Met dit dogma leert de Kerk dat Maria een bijzondere genade van God mocht ontvangen waardoor zij van meet af aan, van bij haar ontvangenis, van de erfzonde gevrijwaard is gebleven.
We hoorden het reeds in het relaas van Lucas, waar de engel Maria op een heel bijzondere manier aanspreekt: Wees gegroet, begenadigde, de Heer is met u” (Lc. 1, 28).

We zeggen het ook telkens als we het Wees gegroet bidden: Wees gegroet, Maria, vol van genade.

Met deze woorden dat Maria ‘vol van genade is’ wil gezegd zijn dat zij geheel zonder zonde – onbevlekt – is gebleven, van bij de aanvang van haar bestaan tot aan haar dood. De maagdelijkheid van Maria is hiervan een bevestiging, zowel als een garantie. Niets heeft de zuiverhaid en onbevlektheid van Maria kunnen aantasten. Zij was immers door God voorbestemd om Moeder Gods te worden. Enkel door haar onbevlekte zuiverheid kon zij een waardige Moeder worden voor de Eniggeboren Zoon van God.

maria (100) LR

Het fiat van Maria.

Hoewel Maria door God uitverkoren werd is ze niet verplicht om Gods roeping voor haar te volgen. Ze had kunnen weigeren, hoewel ze God daarmee zou gekwetst hebben en daarmee Zijn liefde zou hebben afgewezen.

Gelukkig heeft Maria dat niet gedaan. Ze zei volmondig “Fiat” (Lc. 1, 38) (Latijn voor “dat het geschiede”). Maria zoekt geen excuses om onder deze zware verantwoordelijkheid uit te komen. Ze aanvaardt Gods taak in alle nederigheid als dienstmaagd des Heren (Lc. 1, 38). Door haar gehoorzaamheid heeft zij zo Gods menswording mogelijk gemaakt en is zij de Moeder van het Leven geworden.

Op dezelfde wijze moeten ook wij reageren als God iets van ons verlangt. Laat ons een voorbeeld nemen aan Onze- Lieve- Vrouw om nederig en zonder omwegen ‘ja’ zeggen op de roeping die God voor ons heeft bereid. Door onze gehoorzaamheid aan Gods stem zullen ook wij leven vinden.

maria (101b) LR

Het angelusgebed.

De Kerk heeft ook een bijzonder gebed, gebaseerd op de hier besproken gebeurtenissen: het Angelus. We nodigen je graag uit om het samen, in eenheid met de Kerk over de hele wereld, te bidden.

aankondiging (102) LR - bradi barth


De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt;
En zij heeft ontvangen van de heilige Geest.

Wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met U.

Gezegend zijt gij boven alle vrouwen
en gezegend is de vrucht van uw lichaam Jezus.

Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons arme zondaars,
nu en in het uur van onze dood. Amen.
Zie de Dienstmaagd des Heren;
Mij geschiede naar uw woord.
Wees gegroet…
En het Woord is vlees geworden;
En Het heeft onder ons gewoond.
Wees gegroet…
Bid voor ons, Heilige Moeder Gods,
opdat wij de beloften van Christus waardig worden.


Laat ons bidden.
Heer, wij hebben door de boodschap van de Engel

de menswording van Christus uw Zoon leren kennen.
Wij bidden U, stort uw genade in onze harten,
Opdat wij door Zijn lijden en kruis gebracht worden
tot de heerlijkheid van de verrijzenis.
Door Christus, onze Heer.
Amen.
icoon moeder_gods_tederheid (100) LR

De Geloofsbelijdenis: Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, gekruisigd is, gestorven en begraven.

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

Jezus wordt overgeleverd.

In de liturgie van Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille zaterdag staat het lijden en sterven van Christus centraal. De Mensenzoon, die God zelf is, wordt overgeleverd aan zijn beulen, gegeseld en tot slot gekruisigd. Hij, uit wie al het goede voortkomt, wordt bestraft alsof hij een misdadiger van het ergste soort is. Hij was zowaar te goed voor deze wereld.

In de H. Schrift kunnen we meerdere malen lezen dat de joden (dit wil zeggen: de religieuze overheden) plannen beraamden om Jezus ter dood te brengen.

Jezus overtrad volgens hen de joodse wet door zichzelf Zoon van God te noemen en omdat Hij volgens hen de sabbatsrust negeerde.

Jezus, die kwam om de wet te vervullen, werd in een schijnproces ter dood veroordeeld wegens godslastering. Hierop nemen ze Jezus, met de hulp van Judas, gevangen en brengen Hem voor Pilatus.

judas_iskariot (101) LR

Jezus voor Pilatus.

Jezus wordt door de joden tot bij Pilatus gebracht om Hem te laten kruisigen. Hun beschuldigingen zijn van religieuze aard. Daarom gaat Pilatus niet in op de beschuldigingen die tegen Jezus worden ingebracht en zegt hij “Ik kan in deze man geen enkele schuld ontdekken” (Lucas 23, 4). Desondanks liet hij Jezus toch geselen. Zo werd Jezus’ lichaam omwilel van ons met diepe wonden, striemen en bloed overdekt. “Door zijn striemen zijn wij genezen” (Jesaja 53, 5)

In hun ijver om Jezus te doden weten ze Pilatus toch voor zich te winnen door hem te raken op een gevoelige plaats: zijn trouw aan de keizer en het aanzien dat daarmee gepaard gaat.

Zo halen ze aan dat Jezus geen belastingen wil betalen aan de keizer en dat Hij zichzelf tot Koning uitroept. “Maar de joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer’” (Johannes 19, 12)

22.4.2010: Sant'Apollinare Nuovo, Ravenna
Hierna besluit Pilatus om Jezus volgens Romeins gebruik te laten kruisigen onder het luide geschreeuw van de joden. Toch legt Pilatus de schuld niet bij zichzelf maar bij de joden. Hij waste zijn handen en verklaarde: “Ik ben onschuldig aan de dood van deze man” (Matteüs 27, 24) Deze daden van Pilatus laten zijn lafheid en hoogmoed zien. Hij weigerde Christus geloven en in te gaan tegen de joden uit angst om zijn aanzien te verliezen.Zo wordt Christus onder bespottingen en door geselingen getroffen aan het kruis genageld.
kruisiging (101) LR

Hij is gestorven voor onze zonden.

Christus is niet zonder reden gestorven op het kruis: Hij is gestorven tot vergeving van onze zonden. Wij allen hebben ons aandeel in de kruisdood van Christus, daar Hij ook gestorven is voor onze zonden. Telkens wanneer wij zonden bedrijven doen we niet alleen onszelf kwaad maar kruisigen wij de Heer ook opnieuw door onze zonden!

In het Oude Testament kunnen we lezen hoe de joodse wet voorschrijft om een zoenoffer te brengen aan God om zo vergeving te krijgen van de zonden. Dit offer bestaat erin dat een lam geslacht wordt. Er moet dus bloed vloeien om de vergeving van de zonden te verkrijgen. Zo heeft Christus, het Lam Gods dat zelf geheel zonder schuld was, zichzelf uit vrije wil als offergave opgedragen tot de vergeving van de zonden van alle mensen. Zo gaat in vervulling wat de profeet Jesaja reeds had voorspeld:

kruisiging (100) LR
Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet
en deed zijn mond niet open.
Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid,
als een ooi die stil is bij haar scheerders
deed hij zijn mond niet open.

Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen.
Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad?
Hij werd verbannen uit het land der levenden,
om de zonden van mijn volk werd hij geslagen.

Hij kreeg een graf bij misdadigers,
zijn laatste rustplaats was bij de rijken;
toch had hij nooit enig onrecht begaan,
nooit bedrieglijke taal gesproken.”

(Jesaja 53, 7–9)

lijdende_dienaar (100) LR

Hij is begraven.

Na de kruisdood van Jezus vraagt Jozef van Arimatea de toestemming aan Pilatus om het lichaam van Jezus te begraven. Hij wikkelt Jezus in zuiver linnen. Dit linnen was de stof waarin de joodse hogepriesters hun offers opdroegen. Vandaar dat Jezus, die de Eeuwige Hogepriester is, in wit linnen gewikkeld wordt.

Vervolgens wordt Hij, onder het geween van de vrouwen, in een nieuw graf gelegd “waarin nog nooit iemand begraven was” (Johannes 19, 41).

Onder deze wenende vrouwen was ook Maria. Zij heeft Jezus vanaf het allereerste begin, bij haar Onbevlekte Ontvangenis, tot aan dit moment gevolgd als trouwe de dienares die sprak “Mij geschiede naar Uw Woord” (Lucas 1, 38)

graf (100b) LR
Door Christus’ dood krijgen wij de kans om ons opnieuw met God te verzoenen en het eeuwige leven binnen te gaan.

Dit offer van Christus wordt dagelijks over de hele wereld vernieuwd in het Heilig Misoffer, in de Eucharistie. In de Eucharistie ontmoeten wij Jezus, dezelfde Jezus die zijn Bloed voor ons vergoten heeft.

Voor een catechese over de Eucharistie: klik hier.

lam_gods (100) LR

Gebed om genade:

Jezus,
blank in uw onschuld en rood door de bloedige geseling,
leer mij Uw grote liefde, felle smarten en diepe vernedering kennen
en geleid mij door Uw voorbeeld tot de ware boetvaardigheid
zodat ik U niet opnieuw kruisig door mijn zonden
maar wel mijn zonden aan het kruis sla.
Amen.

De Geloofsbelijdenis: Die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de doden.

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

Christus heeft echt de dood ondergaan.

In de vijfde artikel van het Credo, belijden wij dat Jezus na zijn kruisdood is nedergedaald ter helle en de derde dag is verrezen uit de doden.

Wat betekent de ‘nederdaling ter helle’ van Jezus ?

Op de eerste plaats betekent het dat Jezus werkelijk is gestorven en begraven. Jezus is echt gestorven en zijn lichaam rust in een graf. Hij heeft de dood gekend zoals andere mensen.

138_32154_1 001

Blijde Boodschap voor de gestorvenen.

Maar het werk van de verlossing en haar uitwerking – in de kracht van de kruisdood van Jezus – ging verder. Daarom betekent ‘nederdaling ter helle’ ook dat Jezus met zijn ziel, die verenigd is met zijn goddelijke persoon, afgedaald is in ‘het dodenrijk’, de ‘verblijfplaats’ van alle doden, die de Schrift benoemt als ‘de hel’, ‘de Sjeool’ of ‘de Hades’.

Jezus ging daar als verlosser heen om zijn blijde boodschap aan de doden te verkondigen. Hij is niet naar ‘de hel’ om de verdoemden te bevrijden, evenmin om de hel van de verdoemenis af te breken. Hij ging om de rechtvaardigen die Hem voorgegaan waren, te bevrijden, de grote profeten van het Oude Testament, zelfs Adam en Eva.

Wij moeten er ons rekenschap van geven dat wij in het Credo geen mythologisch verhaal belijden. Het bestaan van de menselijke ziel en de nederdaling van de Heer Jezus ter helle is door God geopenbaard en is een onderdeel van de geloofsleer. Ze zijn terug te vinden in de H. Schrift, de geschriften van de kerkvaders, en in de levende overlevering van het geloof van de Kerk.

nederdaling_ter_helle (101) LR
Zo vertelt Sint Petrus ons: “het evangelie is ook aan gestorvenen verkondigd…” (1 Pt. 4, 6); en dat: “de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en die haar horen, zullen leven” (Joh. 5, 25).

De Catechismus van de Katholieke Kerk vertelt ons dat ‘De nederdaling ter helle de volledige vervulling is van de evangelische aankondiging van het heil.

Zij is de allerlaatste fase van de Messiaanse zending van Jezus. Deze fase is zeer beperkt in de tijd, maar strekt zich ontzettend ver uit wat haar werkelijke betekenis betreft. Zij leert dat het verlossingswerk zich uitbreidt tot alle mensen van alle tijden en van alle plaatsen, want allen die zijn gered, hebben immers deel gekregen aan de verlossing’ (nr. 634).

God making a pact with the Devil shaking hands.
nederdaling_ter_helle (100) LR

Verrezen op de derde dag.

Maar de lange stilte van de eerste ‘stille zaterdag’ kwam tot een einde. “Jezus is in de diepte afgedaald. Hij die is neergedaald, is dezelfde die ook is opgestegen” (Ef. 4, 9-10).

Jezus die werkelijk dood was is werkelijk uit de dood verrezen tot een nieuw leven en verheerlijking.

Deze historische gebeurtenis ‘op de derde dag’ vond een centrale plaats in de verkondiging van de apostelen, in het evangelie, in de apostolische brieven, en in de vroege Kerk.

Reeds heeft de heilige Paulus omstreeks het jaar 56 geschreven:

“Ik heb u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag volgens de Schriften, en dat Hij is verschenen aan Kefas (d.w.z. de hl. Petrus) en daarna aan de Twaalf (apostelen)” (1 Kor. 15, 3-4).

verrijzenis (100) LR Titiaan

Hoeksteen van ons geloof.

Met het kruis staat de verrijzenis van Christus centraal in ons christelijk geloof. Zonder de verrijzenis heeft ons geloof geen enkele waarde en betekenis. Zo zegt Paulus: “Wanneer Christus niet is verrezen, is onze prediking zonder inhoud en ons geloof eveneens”.

De verrijzenis van Christus de Heer – die nu voor altijd leeft – is dus de hoogste waarheid van ons geloof in Christus. Want zijn verrijzenis geeft ons hoop op onze eigen verrijzenis na de dood en op een nieuw leven met God in alle eeuwigheid. Dit is het doel van ons leven: een stukje van het kruis van Christus dragen, het evangelie verkondigen door ons leven als katholieken, en de verrijzenis in Christus op het einde van de wereld.

Laat ons de betekenis van de verrijzenis van Onze Lieve Heer samenvatten in de mooie woorden van de brief van de hl. Paulus aan de Romeinen, die ons een boodschap geeft om hoe wij moeten verder leven:

verrijzenis_der_doden (100) LR

“Christus, eenmaal uit de doden opgewekt, niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem. Door de dood die Hij is gestorven, heeft Hij afgerekend met de zonde, eens en voorgoed; het leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van doen. Zo moet u ook uzelf beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus (Rom. 6, 9-11).

De Geloofsbelijdenis: Die opgestegen is ten hemel, zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader.

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

De Hemelvaart.

Dit geloofsartikel doet ons meteen denken aan de feestdag van Onze-Heer-Hemelvaart, veertig dagen na Pasen. Van ouds vierden de christenen de Hemelvaart des Heren, naar het Schriftwoord:

“Hij verscheen hun gedurende veertig dagen en sprak met hen over het Rijk Gods” (Hnd 1,3).

Met Jezus’ Hemelvaart eindigt de periode waarin Hij z’n leerlingen onderrichtte over Gods Koninkrijk, met hen at en dronk.

Bij de evangelist Lucas zien we hoe belangrijk de hemelvaart wel is. Hij eindigt ermee in z’n evangelie (Lc. 24, 50-53), en tegelijk is dit feit het begin van zijn ander geschrift: de Handelingen van de Apostelen. Hierdoor benadrukt Sint-Lucas dat dit gebeuren als de schakel is die Jezus’ aardse leven en dat van de Kerk met elkaar verbindt.

Bovendien vermeldt deze evangelist ook de wolk die Jezus onttrekt aan het zicht van Zijn leerlingen, die daar gebleven waren om Christus te schouwen die zich tot God verhief.

Dan komen twee mannen in witte gewaden tussenbeide, die hen zeggen niet naar de hemel te blijven kijken maar hun leven en getuigenis te voeden met de zekerheid dat Jezus op dezelfde manier zal terugkeren als ze Hem naar de hemel zagen opstijgen.

Juist vanuit de contemplatie van Christus’ heerschappij, ontvangen wij van Hem de kracht om het Evangelie uit te dragen en er in ons leven van elke dag van te getuigen: schouwen en handelen, “werk en bid” zoals de heilige Benedictus leert, het ene en het andere zijn in ons christenleven nodig.

hemelvaart (100) LR

De Verhoging.

Op Goede Vrijdag zien we ook al een verheffing: Jezus wordt aan het kruis verhoogd, als beeld van de aankondiging en de verheffing met Hemelvaart.

Vanaf dan leeft Jezus in Gods heerlijkheid, waar Hij als Zoon zetelt aan Gods rechterhand.

Zetelen aan de rechterhand van de Vader wil zeggen dat Jezus voortaan onze voorspreker is bij de Vader. “Daarom is Hij in staat, om hen die door zijn tussenkomst God naderen voor altijd te redden, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten”(Hebr.7,25). Zo oefent Christus vanaf de Hemelvaart zijn Priesterschap uit. De Hebreeënbrief noemt Christus “de hogepriester van het komende heil” (Hebr. 9,11).

Jesus Christ mosaic in the apse, Cappella Palatina, Palazzo dei Normanni, Palermo, Sicily, Italy

Het Rijk Gods.

Wanneer Jezus eens aan z’n leerlingen verschijnt in de tijd tussen Pasen en Hemelvaart vragen de leerlingen aan Hem: “Heer, gaat Gij in deze tijd het koninkrijk herstellen?”

In het Grieks wordt voor ‘herstellen’ een militaire term gebruikt. De leerlingen denken dat Jezus manschappen rondom zich zal verzamelen om dan nu een aards koninkrijk te vestigen.

Maar ze hadden het mis. Jezus’ antwoord: “Gij zult kracht ontvangen van de heilige Geest die over u komt, om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, Samaria en tot het uiteinde der aarde” (vgl. Hnd. 1, 6-9).

hemelvaart (101b) LR

Getuigen.

Jezus’ hemelvaart en zetelen aan Gods rechterhand houdt dus ook een roeping in voor z’n leerlingen. Hoewel Hij vanaf de hemelvaart niet meer zichtbaar in hun midden aanwezig is, betekent dit geen afwezigheid. Voortaan is Jezus op een nieuwe manier. Hij is niet meer op een bepaalde plaats in de wereld zoals voor de hemelvaart; nu is Hij in Gods heerschappij, overal en altijd aanwezig, ieder van ons nabij.

Wij, z’n leerlingen, zijn geroepen op getuigen te zijn God. Dat vereist een dagelijkse trouw, offers, wijziging van onze plannen. Niet zonder reden vond Jezus’ Hemelvaart plaats op de Olijfberg in Jeruzalem, vlakbij de plaats waar Hij zich terugtrok om te bidden, na het Laatste Avondmaal en voor zijn arrestatie. Dat was de plaats waar Hij in gebed tot de Vader om een diepe eenheid had gebeden, vlak voor z’n lijden en kruisiging. Dit toont ons dat het gebed ons de genade geeft trouw te blijven om naar Gods plan te leven. Zo zijn wij als gelovigen nooit alleen. Paus Franciscus verwoordde het als volgt in z’n homilie bij Hemelvaart (2013):

pp franciscus (102) LR

“Wij zijn nooit alleen: de gekruisigde en verrezen Heer leidt ons; talrijke broeders en zusters zijn met ons, verborgen in de stilte, in hun gezins- en beroepsleven, te midden van hun problemen en moeilijkheden, vreugden en hoop, beleven zij elke dag hun geloof en brengen met ons de heerschappij van Gods liefde in de wereld, in de verrezen Jezus Christus, ten hemel opgestegen, onze advocaat.”

De Geloofsbelijdenis: Vandaar zal Hij komen oordelen, de levenden en de doden.

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

Christus is de Heer.

Het vorige artikel van de geloofsblijdenis beleed hoe Christus, na uit de dood te zijn opgestaan, opgestegen is ten hemel en zetelt aan de rechterhand van de Vader.

De hemelvaart van Jezus moeten we daarom zien als het hoogtepunt van heel de geschiedenis. Want zoals de apostel Paulus schrijft aan de christenen van Efeze, lag het besloten in het plan van Gods Voorzienigheid om heel zijn schepping weer samen te brengen en samen te voegen onder één hoofd: Jezus Christus. (Ef. 1,10)

De hemelvaart van Jezus betekent zo dat Christus deel krijgt aan de macht en het gezag van God zelf. Hij zetelt op de troon en aan Hem werd alle heerschappij gegeven. Enerzijds werd Christus ‘hoog verheven’, boven alle heerschappijen, machten en krachten (Ef. 1,21) en anderzijds werd alles wat bestaat ‘aan Hem onderworpen’ en heeft God alles onder zijn voeten gelegd (Ef. 1,22). Christus is voortaan de Pantocrator, de Albeheerser.

christus_pantocrator

Christus zal wederkomen in heerlijkheid.

De hemelvaart is niet enkel het hoogtepunt van de geschiedenis, het luidt ook de eindfase in van de geschiedenis. Voortaan kijkt heel de Kerk uit naar de definitieve wederkomst van de Heer waarmee de wereld zijn einde zal kennen.
parousie (100) LR

In elke eucharistie worden we hieraan herinnerd. Telkens na de consecratie zegt de priester: ‘Verkondigen wij het mysterie van het geloof’. Daarop zeggen alle gelovigen: ‘Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden, tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt.’

Als christenen kijken wij dus uit naar de wederkomst van Jezus Christus. In één woord spreken we van ‘de parousie’, het Griekse woord waarmee dit gebeuren wordt aangeduid. Christus komt weer naar ons toe in heerlijkheid, om heel de wereld te vernieuwen en te voltooien.

Het waar en wanneer van die wederkomst is ons onbekend, want het ‘komt ons niet toe dag en uur te kennen die de Vader is zijn macht heeft vastgesteld’ (Hand. 1,7). Elke uur kan daarom het laatste zijn.

Het komt er dus op aan waakzaam te zijn, zoals in de parabel van de 5 verstandige en de 5 domme bruidsmeisjes die wachtten op de komst van de Bruidegom. De dommen waren vergeten olie mee te nemen terwijl de verstandigen zich hadden voorbereid. Toen allen waren ingedommeld en plots, midden in de nacht, de Bruidegom zich aanmelde, waren enkel de verstandige goed voorbereid.

De dommen moesten nog olie gaan zoeken en kwamen zo te laat op het bruiloftsfeest en stonden voor een gesloten deur. ‘Weest dus waakzaam, want gij kent dag noch uur’, zo eindigt de parabel nog (Mt 25,1-13; zie ook Mt 24,44 en Lc 12,35-48).

Hoe kunnen we ons als verstandige bruidsmeisjes voorbereiden op de wederkomst van de Heer? In de eerste plaats door elke dag te werken aan onze bekering en onze heiliging. De Heer komt als een dief in de nacht (Lc 12,39), hoe en in welke toestand zal Hij ons dan aantreffen? We moeten dus elke dag orde op zaken stellen zodat wij voorbereid zijn op onze grote ontmoeting met de heer.

Mt 5,1-13 bruidsmeisjes

Christus en de Kerk.

Als wij de wederkomst van Christus verwachten, betekent dit dan ook dat Christus van ons verwijderd is en dat wij al die tijd nog te wachten hebben op de komst van het Rijk van God?

Nee, zeker niet. Christus is ook het hoofd van de Kerk, die zijn lichaam is (Ef 1,22). Christus is wel verheven in de hemel en verheerlijkt, maar Hij is ook nog steeds op aarde in zijn Kerk, zijn Lichaam. Als Hoofd is Christus in de hemel, ze zegt de heilige Augustinus, maar met zijn Lichaam is hij hier bij ons op deze aarde.

Het Rijk van God, waarin Christus als Heer regeert, is daarom ook geen werkelijkheid in de verre toekomst. Het Rijk van Christus is al ten dele aanwezig in de Kerk om de eenvoudige reden dat Christus aanwezig is in zijn Kerk. De Kerk is daarom reeds de kiem en het begin van Christus’ Rijk hier op aarde.

kerk_lichaam_LR (01)

Een tijd van wachten en beproeving.

De komst van Christus en de komst van zijn Rijk wordt ons niet zomaar in de schoot geworpen. Zoals gezegd dienen wij waakzaam te zijn en voorbereid. Maar er is meer.

Voorafgaand aan de wederkomst van Christus zal het geloof van de gelovigen getoetst worden en zal de Kerk beproefd worden. In deze tijd van beproeving zullen velen wankelen en zich zelfs van het geloof en de Kerk afkeren. Vooraleer de Kerk haar Pasen kan binnen gaan moet het ook eerst haar Goede Vrijdag kennen.

De beproeving kan de gestalte aannemen van een vervolging. Maar evengoed deze van een foute verkondiging of religieus bedrog waarbij de mensen een schijnoplossing aangeboden wordt voor hun problemen. De ergste dwaalleer is dan deze waarin de mens zichzelf verheerlijkt in plaats van God en zijn Messias en zich op deze wijze tegen God keert.

vervolging (103) LR

Wederkomst en oordeel.

In de lijn van de profeten (Dan 7,10; Joel 3-4; Mal 3,19) en van Johannes de Doper (Mt 3,7-12)heeft Jezus in zijn prediking ook verkondigd dat het einde van de wereld gepaard zal gaan met het ‘laatste oordeel’ of het oordeel over levenden en doden.
Velen zien het laatse oordeel tegemoet als iets angswekkend. Maar dat hoeft het niet noodzakelijk te zijn. We leveren ons immers uit aan zowel de rechtvaardigheid als aan de barmhartigheid van Jezus. In elke geval is het zo dat bij dit oordeel de waarheid over elk mensenleven zal oplichten. Het gedrag en de geheimen van het hart van eenieder zullen aan het licht gebracht worden. Dan zal het schuldige ongeloof dat God miskend heeft door Hem veroordeeld worden. Elk leven zal op de weegschaal gelegd worden en elke mens gewikt en gewogen.

Ons lot ligt dus in onze eigen handen. Door ons leven hier op aarde, al dan niet overeenkomstig het Evangelie,
bepalen wij zelf de inhoud van Christus’ oordeel, en roepen wij ons eigen oordeel over ons af. Wie in dit leven Gods genade afwijst oordeel reeds zichzelf. Wie Gods liefde miskent heeft zichzelf reeds verdoemd door zijn eigen keuzes.

laatste_oordeel (100) LR

De Geloofsbelijdenis: Ik geloof in de heilige geest.

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

De heilige Geest in de Drie-eenheid.

Wij geloven zowel in de H. Geest als in de Vader en de Zoon. Maar bedoelen wij ermee? Diep in ons hart zijn we meestal nog geneigd te vergeten dat de H. Geest van alle eeuwigheid bestaat, en Hem ons voor te stellen als was Hij pas eerst op Pinksterdag geboren.

De Heilige Geest is de welbewuste weerklank van de liefde die tussen de Vader en de Zoon ontstaan is. Zo een groot en diep mysterie is niet te verklaren maar laat ons proberen om de Heilige Drie-eenheid te begrijpen. Laat ons teruggaan en ons God voorstellen Iemand die geheel en al buiten de tijd leeft, onafhankelijk dus van de werelden, of de engelen.
God de Vader heeft van alle eeuwigheid een Woord gesproken. Of anders gezegd: van alle eeuwigheid heeft Hij een gedachte van Zich gehad. Ook bij ons, mensen, is dat zo: wanneer wij denken bestaat de gedachte niet buiten maar in ons verstand.
Denkt echter het eeuwige Verstand – God – zichzelf, dan brengt het een Gedachte voort die even eeuwig is als Hijzelf is, en die Gedachte (we noemen Hem het Woord – en we bedoelen daarmee Onze-Lieve-Heer Jezus Christus, het Woord dat vlees geworden is) is evenals het eeuwige Verstand een persoon.
Zo krijgen wij twee personen binnen de Drie-eenheid: Het eeuwige Verstand en de eeuwige Gedachte. Nu, twee goddelijke Personen kunnen zich niet naast en los van elkaar voorstellen, zonder betrekking en verhouding tot elkaar. Zij zullen elkaar beminnen.
Deze liefde, die aan het eeuwige Verstand en Zijn eeuwige Gedachte ontspringt en deze Twee aan elkaar bindt, is de H. Geest.

heilige_drieeenheid (100 )LRjpg

De heilige Geest vervult de hele schepping.

In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de geest van God zweefde over de wateren. (Genesis 1, 1-2)

Door heel het Oude Testament vindt men de gedachte van de Geest van God die door de natuur waait. De Geest des Heren vervult de hele wereld. De liefde die Vader en Zoon verbindt, stroomt over in de geschapen dingen en doet ook hen in liefde naar God trachten.

De H. Geest heeft een taak te vervullen op aarde: die gesproken heeft door de profeten, maar ook voordien, al de eeuwen voordien voordat de profetieën kondigde de komst van de Messias aan was het telkens dezelfde oude verhaal wanneer er een mensenhart naar God streefde. Het was de Derde Persoon van de Heilige Drie-eenheid die in deze zichtbare geschapen wereld deed wat Hij van eeuwigheid in de ongeschapen wereld doet. Hij werkte in ons die reactie van liefde ten aanzien van de eeuwige Vader, die hij krachtens Zijn wezen werkt. Ondanks de zondeval is er een instinct dat de mens naar God omhoog doet blikken, hem doet trachten tot God terug te keren. En dat instinct is het stille werken van de H. Geest. Zijn wezenlijke functie is de liefdesreactie in ons hart op de goedheid van God te zijn.

heilige_geest (101b) LR

De heilige Geest de Paracleet.

Het was de allereerste functie van de H. Geest om, toen Hij op Pinksterdag op de aarde kwam, een nieuw bestel te brengen. Daarom beloofde Onze-Lieve-Heer aan de apostelen een “Paracleet” te sturen (dit woord betekent in de eerste plaats de advocaat die bij de rechtbank een pleidooi doet).
Advocaat, dat is de eerste betekenis van Parakleet, maar de betekenis is natuurlijk breder: ‘de hulp in de nood’, dat is de ware zin van het woord Paracleet.

In wat de heilige Paulus schreef vindt men ook dat de H. Geest niet alleen moet beschouwd worden als iemand die men nodig heeft wanneer men in het openbaar moet spreken, zoals op de eerste Pinksterdag (in alle talen van de mensheid).

De bijstand van de H. Geest is iets dat we telkens bij het bidden nodig hebben. Telkens wanneer we bidden is het de H. Geest die in ons bidt.
Dezelfde echo van de goddelijke liefde die in de vormloze schepping werd opgeroepen toen de Geest Gods boven de wateren zweefde, wordt in ons opgeroepen wanneer we bidden. Dat wordt soms misverstaan, wanneer het bidden niet al te goed loopt. We proberen soms door pure wilsinspanning onszelf in een betere gebedstoestand te brengen terwijl de Kerk het de enige juiste houding acht meer tot de H. Geest onze toevlucht te nemen, en de dingen meer aan Hem over te laten.

heilige_geest (102b) LR
Wij moesten de H. Geest eigenlijk veel meer om leiding vragen. De reden waarom wij dat niet meer doen ligt gedeeltelijk daarin dat we te veel van Hem verwachten, en dan worden we teleurgesteld. We verwachten dat plotseling een miraculeus licht in ons verstand gaat schijnen, en dat we als het ware door een stem aan ons oor gezegd krijgen wat we moeten doen. Uiteraard kan de H. Geest aan heel heilige mensen miraculeuze leiding geven, en soms doet Hij dat ook. Ook al verwachten we dergelijke dingen niet, toch moeten we de H. Geest om leiding bidden. De voornaamste taak van de H. Geest is niet voor de dag te komen en opeens te verschijnen in windgedruis en vurige tongen.

Hij is de eeuwige liefde die uit de Vader en het goddelijke Woord voortkomt, en die in en ten behoeve van de mensen, buiten hun weten, een liefde-echo wekt op de goddelijke liefde die hen schiep.

heilige_geest (103b) LR

De Geloofsbelijdenis: Ik geloof in de heilige katholieke Kerk, de gemeenschap van de heiligen.

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

Een geloofsartikel over de Kerk.

In deze negende catechese in de reels over onze geloofsbelijdenis behandelen wij het geloofsartikel over de Kerk. In de geloofsbelijdenis van de Apostelen zeggen wij na het artikel over de heilige Geest de volgende belijdenis: [Ik geloof in …] “de heilige katholieke Kerk, de gemeenschap van de heiligen.” Een aanrader is een eerdere catechese op deze website over dit geloofsartikel: “Ik geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk.” (Klik hier)

Zonder de heilige Geest, zonder het eerste Pinksterwonder, zou de Kerk zich niet hebben kunnen doorzetten. Als we spreken over de Kerk dan houden we dus twee werkelijkheden voor ogen: een menselijke én tegelijk een goddelijke. De Kerk is menselijk: in haar organisatie, haar structuren, haar geschiedenis, door de zonden van haar leden. En toch blijft ze voorwerp van geloof. Het geloof in de Kerk is een voorwaarde om doorheen haar aardse logheid in haar het goddelijk mysterie te onderkennen.

Als we ons geloof uitdrukken in de Kerk dan bevestigen wij haar bestaan, haar goddelijke, bovennatuurlijke werkelijkheid, haar eenheid, haar heiligheid, haar katholiciteit. Wie blijft steken in het louter, soms minder fraaie, menselijke aspect van de Kerk zal haar niet leren kennen in de diepte, vandaar dat de geloofsbelijdenis ons oproept te geloven aan het mysterie dat de Kerk in zich draagt.

Over wat voor mysterie gaat het dan? De Kerk is een mysterie: ze heeft een onbegrijpelijk aspect, niet in de zin van “onverstaanbaar” of “ondoorgrondelijk”, maar wel dat het voor het verstand onmogelijk is ze helemaal te omvatten. Dit mysterie kunnen we omschrijven in 4 beelden die we nu in het verder verloop van de catechese uit d edoeken willen doen.

kerk_geestelijk (100) LR

De Kerk als volk van God (CKK 782).

Iedereen behoort tot een volk, tot een land. Maar wie gedoopt is behoort tot het Volk van God. En dit Volk heeft zo zijn unieke eigenschappen: het Volk van God werd door de Vader zelf uitgekozen. Het Griekse woord voor Kerk: ‘Ecclesia’ betekent immers ‘bijeenroeping’ en wel door God de Vader zélf.

Men wordt niet door geboorte lid van dit volk maar door een ‘wederbeboorte’ in het water van de doop en de uitstoring van de heilige Geest. Dit volk heeft bovendien Christus als leider of Hoofd. De status van haar leden is de Vrijheid van de Kinderen Gods. De grondwet van dit volk is het dubbele gebod van de liefde: Bemin God en uw naaste als u zelf. Haar zending bestaat erin om zout en licht voor de wereld te zijn (Mt. 5). De bestemming van dit Volk is het Koninkrijk van God in de hemel, maar dat nu reeds een begin neemt hier op aarde.

kerk_volk (100) LR

De Kerk als Lichaam van Christus.

De Apostel Paulus gebruikt het beeld van het menselijk lichaam om te spreken over de Kerk. Meer bepaald om de eenheid aan te duiden die er bestaat tussen het Hoofd van de Kerk (Christus) en de overige ledematen (de gelovigen). Allen, het Hoofd Christus en de ledematen,vormen samen één Lichaam: de Kerk. (1 Kor. 12; Rom. 12, Kol. 1,18; Ef. 1,22-23).

Deze gedachte ligt aan de basis voor de kerkelijke leer die in de loop der tijden uitgroeide tot de Kerk als het mystieke lichaam van Christus. Paus Pius XII vaardigde in 1943 een encycliek uit met deze titel: De Kerk als mystiek lichaam van Christus.

De Kerk als een lichaam betekent dat elk lidmaat verbonden is met haar Hoofd: Christus. Maar ook dat elk lidmaat verbonden is met de overige ldematen en dat er een samenhang en solidariteit hoort te bestaan tussen de ledematen onderling.

Zoals elk lidmaat zijn functie en plaats heeft binnen het geheel van het lichaam, zo maakt dit beeld maakt ook duidelijk dat elke gedoopte een specifieke taak heeft te vervullen in Gods Kerk Een lid van de kerk kan nooit los kan staan van het geheel van de Kerk.

kerk_lichaam_LR (01)

De Kerk als tempel van de heilige Geest.

De Kerk is niet alleen een lichamelijk mysterie, ook geestelijk.

Sint-Augustinus zei: “Wat onze ziel is voor ons lichaam, dat is de heilige Geest voor het lichaam van Christus. De heilige Geest is immers de bron van eenheid in het geloof, die de gelovigen aanvuurt om in alle uithoeken dezelfde Blijde Boodschap te brengen”.

De aanwezigheid van de heilige Geest heiligt de Kerk. Hij maakt ze levend en vitaal: Hij is haar levenskracht.

De werking van de Geest bewerkt vele gaven bij de leden van het lichaam. Zo maakt de H. Geest de gelovigen geschikt en bereid om de werken en taken op zich te nemen die nodig zijn voor de voortdurende vernieuwing van de Kerk.

kerk_tempel_geest (100) LR

De Kerk als Bruid van Christus.

Een heel sterk beeld is de Kerk als de Bruid van Christus. Het drukt de innige eenheid uit die er bestaat tussen Christus in zijn Kerk maar tegelijkertijd ook het onderscheid tussen beide in een persoonlijke relatie. De huwelijksgedachte, toegepast op de Kerk, betekent dat wij niet enkel ‘iets’ zijn van Christus, maar dat wij leven voor Iemand: voor de Heer zelf.

Het Volk van God is de verloofde van God, de uitverkoren partner van zijn bruiloft met ons. Dit beeld komt uit de heilige Schrift. Jezus zelf zegt de Bruidegom te zijn (Mc. 2,19; Mt. 22,1-14; Mt. 25,1-13). De apostel Paulus gebruikt dit beeld ook voor in zijn brieven aan zijn christengemeenten:

“Ik ijver voor u met de ijver van God, want ik heb u met één man verloofd, met Christus, om u als een zuivere maagd naar Hem te voeren.” (2 Kor. 11,2) “Mannen, heb uw vrouw lief, zoals ook Christus de kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft overgeleverd om haar heilig en rein te maken, door het waterbad en het woord, om haar tot zich te voeren in haar luister, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar heilig en onbesmet.” (Ef. 5,25-26)

De Kerk als gemeenschap van de heiligen.

Omdat de Kerk dus een menselijke en een goddelijke werkelijkheid in zich draagt is ze dus tegelijk zichtbaar en onzichtbaar. Menselijk zien we slechts één wereldwijde gemeenschap. Het geloof echter ziet er twee: een zichtbaar gemeenschap en een onzichtbare.
Enerzijds is er de Kerk op aarde bestaand euit alle gelovigen die één lichaam vormen en geheiligd werden in hun doopsel. Het is de pelgrimerende Kerk die onderweg is in deze tijd en deze wereld.

Anderzijds is er de Kerk in de hemel, is de onzichtbare wereld van Gods Koninkrijk: de hemel waar engelen en heiligen bij God mogen thuiszijn, van deze mensen die ons hier op aarde zijn voorgegaan in geloof en nu mogfen delen in het goddelijke leven.
De jaarkalender kent vele heiligen. Ze zijn als een stoet die opgetrokken is naar Gods troon en die nu voor ons willen voorspreken bij de Heer Jezus. In hun voetspoor mogen wij treden.

kerk_gemeenschap_heiligen (100) LR

De Geloofsbelijdenis: De vergiffenis van de zonden.

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

Vergiffenis is nodig.

Vergiffenis kan moeilijk zijn voor vele mensen.Denk aan de huidige situatie in het Midden Oosten, en andere conflictgebieden ter wereld.

Eigenlijk is het niet nodig ver te gaan om te zien hoe ‘onvergeeflijk’ de mens kan zijn. Wij kunnen naar ons zelf kijken om te zien wie of wat ons heeft gekwetst en of wij vergiffenis geschonken hebben aan hen die verantwoordelijk zijn, of niet.

Het is niet altijd gemakkelijk, en dat kan wel begrijpelijk zijn. Misschien het klinkt een beetje raar in onze menselijke horen, maar in het Credo belijden wij ‘de vergeving van de zonden’.

biecht (108) LR

Adam: de oorsprong van alle zonde.

De nood aan de ‘vergiffenis van de zonden’ wijst naar de oorsprong van de grootste moeilijkheid voor de mens – een gebrek in zijn relatie met God zijn schepper. De zonde maakt een breuk tussen de kinderen van God en God ‘onze Vader’ en Schepper.

Het is een opstand tegen God als de bron van alle liefde. God toont ons, door de heilige schriften en de kerkelijke traditie, hoe wij moeten leven en hem dienen om gelukkig te zijn, met Hem en met elkaar.

Het begon met de erfzonde van Adam en sindsdien, sinds deze ‘opstand’ van Adam, die we de zondeval noemen, is er in de mens een ‘neiging’ tot het goede als tot het kwade (‘zondebegeerte’) aanwezig.

barth_paradijs_uitdrijving_HR (01b)

Een doopsel tot vergeving van de zonden.

Maar God heeft in zijn grote barmhartigheid heeft zijn Zoon Jezus in de wereld gezonden om de wereld te verzoenen met Zichzelf, door het kruis en de verrijzenis van zijn Zoon. Door de Heilige Geest is de kracht van de redding altijd aanwezig in de Katholieke Kerk en is deze terug te vinden in de sacramenten.

Wij zien allereerst in het doopsel. Wij geloven in ‘één doopsel tot vergeving van de zonde’. Vergeving van de zonden is dus verbonden met het doopsel. En de Kerk moet dit verkondigen: ‘Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping. Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden’ (Mc. 16, 15-16).

De Catechismus van de Katholieke Kerk verklaart dat zo:

“Het doopsel is het eerste en belangrijkste sacrament van de vergeving van de zonden, omdat het ons verenigt met Christus die gestorven is voor onze zonden en die verrezen is om onze rechvaardiging, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden” (nr. 977).

doopsel (117) LR

Verzoening en vergeving in de biecht.

Door het doopsel zijn wij gereinigd van de erfzonde met een overvloedige genade van de vergiffenis van God. Maar er blijft nog steeds de zwakte van de ‘zondebegeerte’ over en wij moeten strijden tegen de opwellingen van de begeerte.

Dankzij de goddelijke barmhartigheid van God kunnen zonden ook nog vergeven worden na het doopsel. Christus heeft de sleutels van het koninkrijk der hemelen immers toevertrouwd aan de Kerk. Dit wordt vooral uitgeoefend in het sacrament van de biecht (of van ‘boete’ of ‘verzoening’).
Is het niet mooi dat wij kunnen dikwijls de barmhartigheid, vrede en vrijheid van het rijk Gods krijgen door het sacrament van de biecht ? Het is heilsnoodzakelijk voor wie na het doopsel een doodzonde doet – d.w.z. waar er een zwaarwegende materie is (b.v. in de tien geboden), met een volle kennis en een volledige instemming.
De doodzonde, volgens de Catechismus, vernietigde liefde in het hart van de mens door een zware inbreuk op Gods Wet; ze zendt de mens van God af, die zijn uiteindelijk doel en zijn zaligheid is (nr. 1855)

Maar wij kunnen ook onze ‘dagelijkse zonde’ biechten – wij hebben de genade en de vergiffenis van God nodig als wij de heiligheid en de vrede van God nastreven. Wij hebben geestelijke wapens nodig om heilig te worden.

biecht_01

De schoonheid van vergeving.

Hoe mooi is ons Katholiek geloof in ‘de vergeving van de zonden’. Dit geeft ieder van ons hoop in het leven: hoop op verzoening met God, met de Kerk en met elkaar.

De achtergrond van de vergeving van de zonden is terug te vinden in dit citaat uit de heilige Schrift. Wij kunnen dit van buiten leren en er gebruik van maken als wij ons hopeloos voelen, of hoop aan anderen willen geven in de barmhartigheid en vergiffenis van God:

Zowaar Ik leef – godsspraak van de Heer God – Ik wil de dood van de zondaar niet, maar Ik wens dat hij zich betert en in leven blijft (Ezechiël 33, v. 11).

biecht (109) LR

De Geloofsbelijdenis: De verrijzenis van het lichaam.

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

Onsterfelijkheid van de ziel – Verrijzenis van het lichaam.

Als christenen geloven we niet alleen dat de menselijke ziel onsterfelijk is, maar ook dat het menselijke lichaam zal verrijzen, onsterfelijk uit het graf. Aangezien onze zielen spiritueel van aard zijn en dus van nature onsterfelijk zijn, heeft de verrijzenis geen betrekking op de ziel. Onze ziel zal nooit sterven.

In Gods oorspronkelijke scheppingsplan was het niet de bedoeling dat het menselijke lichaam zou sterven. Maar zodra de zonde in de wereld kwam was het menselijke lichaam voorbestemd om te sterven. Dat gebeurt in wat wij onze ‘dood’ noemen, het ogenblik wanneer de ziel het lichaam verlaat

Een van de grote gaven van het christendom aan de menselijke wijsheid is de duidelijke leer dat er niet zoiets bestaat als reïncarnatie. Wij zijn ontvangen en slechts één keer geboren. Wanneer onze unieke zielen onze lichamen verlaten, wordt ons lot bepaald voor alle eeuwigheid.

verrijzenis_der_doden (102) LR

Bijbelse fundamenten.

Als christenen geloven vast in de lichamelijke opstanding van de doden. Reeds in het Oude Testament zegt de profeet Job: “Want ik weet, ik ben er zeker van: mijn vrijkoper leeft, ten slotte zal Hij deze wereld binnentreden. En al ben ik nog zo geschonden, ik zal God zien vanuit dit lichaam” (Job 19:25-26).

verrijzenis_der_doden (101) LR

In het Nieuwe Testament wordt de meest expliciete leer over de lichamelijke opstanding aangetroffen in de geschriften van de heilige Paulus gevonden. Terwijl hij de christenen aanspoort om de onbaatzuchtige liefde te beoefenen, wijdt hij niet minder dan achtenvijftig verzen over de uiteindelijke opstanding van het lichaam op de Dag van het Oordeel. De logica van de heilige Paulus is heel eenvoudig. Wij moeten de naastenliefde beoefenen en de anderen beminnen, niet alleen in de ziel, maar ook in het lichaam. Daarom zal de Heer ons ook belonen, wanneer we opstaan uit het graf, zowel in de geest als in het lichaam.

De heilige Paulus schreef: “Wat je zelf zaait moet eerst sterven voor het tot leven komt, en wat je zaait is maar een korrel, bijvoorbeeld van tarwe of iets dergelijks, en het heeft nog niet de vorm die het zal krijgen. God geeft er een vorm aan zoals Hij het heeft gewild, en wel aan elk zaad zijn eigen vorm”. (1 Korintiërs 15:37-38).
We kunnen dus zeggen dat wanneer onze lichamen begraven zijn in het graf, dat ze als zaad gezaaid zijn in de grond.
Dit zaad zal sterven om vervolgens vrucht voort te brengen. Dan, in de oogsttijd, zal God uit dit begraven zaad het verrezen lichaam van onze verheerlijkte menselijkheid verwekken.

De kerkvaders hebben veel soortgelijke vergelijkingen: de zon lijkt elke avond te sterven, alleen om weer te op stijgen in de ochtend; bomen verliezen hun bladeren in de herfst en dan, als door een opstanding, keren de bladeren terug in het voorjaar.

verrijzenis_der_doden (105) LR

Opstanding ten oordeel.

Begrijpelijkerwijze benadrukt de heilige schrift de opstanding van de rechtvaardigen, maar zonder het weglaten van een verwijzing naar degenen die niet zullen worden gered. In deze context voorspelt Jezus hoe Hij zal komen om de hele mensheid te oordelen:

“Waarachtig, Ik verzeker u: er komt een uur, ja het is er al, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en zij die ernaar luisteren zullen leven. Want de Vader, die de bron van leven is, heeft de Zoon gemachtigd om eveneens bron van leven te zijn; Hij heeft Hem volmacht gegeven om te oordelen, omdat Hij de Mensenzoon is. Wees daar niet verwonderd over: er komt een uur waarop allen die in het graf liggen zijn stem zullen horen en eruit zullen komen; wie goed hebben gedaan zullen opstaan om te leven, wie kwaad hebben gedaan zullen opstaan om veroordeeld te worden”. (Johannes 5:25-29).

verrijzenis_der_doden (103) LR

Betekent dit dat de hele mensheid zal opstaan uit het graf? Ja, want de hele mensheid – behalve de Moeder Gods – is in zonde ontvangen en werd daarom onderworpen aan de dood.

Ons eigen lichaam verrijst.

De goddelijke openbaring en het leergezag van de Kerk verklaren dat we allemaal zullen opstaan met ons eigen lichaam. Nogmaals, de profeet Job is heel duidelijk, “… ik zal God zien vanuit dít lichaam … met eigen ogen” (Job 19:26-27).

We zouden kunnen zeggen dat dit is te verwachten. Immers hier op aarde dienen we God met onze eigen individuele ziel en met ons eigen lichaam. Deze zelfde ziel en ditzelfde lichaam worden in de eeuwigheid beloond.

Natuurlijk het lichaam wordt verheerlijkt, maar dat is slechts een ander woord voor ‘wordt beloond’. Elke individuele persoon met zijn of haar eigen specifieke lichaam, verenigd met hun unieke ziel, zal beloning ontvangen voor het feit dat hij of zij God trouw gediend heeft in dit tranendal.

verrijzenis_der_doden (104) LR

Met welk lichaam verrijzen we?

De meest fundamentele kwaliteit van onze verrezen lichamen zullen hun onsterfelijkheid zijn. Toen onze eerste ouders gezondigd hadden verloren zij de gave van lichamelijke onsterfelijkheid. Was er geen zonde geweest, dan zou geen mens gestorven zijn . Onze redding door Christus herstelde het bovennatuurlijke leven van onze ziel, dat ieder van ons ontvangen heeft door de doop. Het opgestane leven van ons lichaam wordt uitgesteld tot het begin van de eeuwigheid, die we in de volksmond ‘de laatste dag’ noemen. De Kerk echter geeft er de voorkeur aan om te spreken van de eerste dag.

Zoals we weten zullen niet alle mensen die opstaan uit de dood ook worden gered . Toch zullen ze ook uit het graf verrijzen met een onsterfelijk lichaam, dat bestemd is voor eeuwig lijden.

Het lichaam en de ziel zijn voor elkaar gemaakt. Allebei verkeren in een onnatuurlijke toestand als je ze gescheiden houdt, en dat ze er naar verlangen weer met elkaar verenigd te worden. Niet dat de ziel zonder het lichaam ongelukkig is, maar het lichaam dat in de tijd van onze aardse pelgrimage onze metgezel is geweest, mag niet aan zijn lot worden overgelaten. Niet dat ons lichaam in de hemel dezelfde toestand zal verkeren als hier. De heilige Paulus weet ons te vertellen dat ons hemel lichaam even weinig op ons aardse lichaam lijkt als de vrucht die men in de herfst tevoren zaaide als zaadkorreltjes. Zwakke plekken zoals nu op aarde zal het niet hebben.

verrijzenis_der_doden (106) LR
De meeste concrete beschrijving van het verrezen lichaam werd gegeven door de heilige Paulus aan de Korintiërs. Grotendeels van de christelijke eschatologie is gebaseerd op de volgende geopenbaard door de apostel: Nu zou iemand kunnen vragen: “Maar hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?’ Dwaas die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst sterven voordat het tot leven kan komen. En wat u zaait heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is nog maar een naakte korrel, een graankorrel misschien of iets anders. God geeft daaraan de vorm die hij heeft vastgesteld, en hij geeft elke zaadkorrel zijn eigen vorm. Elk aards lichaam is anders; het lichaam van een mens is enig in zijn soort, dat van een dier eveneens, dat van een vogel ook, en ook dat van een vis. Er zijn lichamen aan de hemel en lichamen op aarde, maar de schittering van een hemellichaam is anders dan die van een aards lichaam. De zon heeft een andere schittering dan de maan, de maan weer een andere dan de sterren, en de sterren onderling verschillen ook in schittering. Zo zal het ook zijn wanneer de doden opstaan. Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Wanneer er een aards lichaam is, is er ook een geestelijk lichaam.”(1 Korintiërs 15:35-44)
Wat Paulus openbaart onder inspiratie van de Heilige Geest is de essentie van ons geloof. Onze lichamen zullen worden verheerlijkt. Niet anders dan de zaden van tarwe die gezaaid werden in de grond, zo worden onze dode lichamen in het graf gezaaid.

Maar net als het zaad dat daarna begint te ontkiemen en groeien in de aarde als een veld van graan, zo zullen alle menselijke lichamen uit het graf opstaan. De eigenschappen van onze opgestane verheerlijkte lichamen zullen zijn zoals dat van Christus toen Hij zich even openbaarde in zijn verheerlijkte toestand aan zijn uitverkoren apostelen bij zijn Gedaanteverandering op de berg Tabor.

De verrijzenis zal ons niet alleen als iets heel natuurlijks voorkomen, maar we zullen ons ook ieder ogenblik bewust zijn dat zij datgene is waar ons leven van afhangt; want ook wij zullen dan deel uitmaken van dat verrezen leven dat Onze Heer met zich meebracht uit het graf.

tabor (101) LR

De Geloofsbelijdenis: En het eeuwig leven. Amen.

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa.

Met de laatste catechese van dit jaar sluiten we ook het jaar van het geloof af en onze reeks over de 12 artikelen van onze geloofsbelijdenis. De laatste geloofswerkelijkheid waarin we ons geloof belijden is dat van het eeuwig leven. We noemen het ook ‘het leven bij God’, ‘het leven na de dood’, ‘het eeuwig geluk’. Wat zegt nu ons geloof over deze realiteit die ons te wachten staat als wij dit leven en deze aarde verlaten?

Doel van on sleven.

Eeuwig leven is eigenlijk het doel van ons aardse leven. Wij zijn geschapen om God te eren, te beminnen en te dienen als zijn kinderen, als leden van zijn koninkrijk, in zijn enige Katholieke Kerk. Daarom kunnen wij ‘eeuwig leven’ zeer eenvoudig samenvatten in een zin:

Eeuwig leven is leven en liefde in overvloed met God voor alle eeuwigheid in de gemeenschap van de heiligen.

In het eeuwig leven zullen wij opnieuw als in het Paradijs zijn, d.w.z. de toestand waarin de mens oorspronkelijk door God werd geschapen. We zullen God mogen aanschouwen van aangezicht tot aangezicht, zoals vrienden met elkaar omgaan.

We zullen deelgenoot worden gemaakt aan Gods onvergankelijkheid, de onsterfelijkheid. Onze ziel zal weer verenigd zijn met een verheerlijkt lichaam. Elk lijden, elke aftakeling zal ons vreemd zijn en eeuwig geluk zal ons deel zijn. Kortom: het leven bij God wordt onze grootste zaligheid.

eeuwig_leven (100) LR

Opdracht in on sleven.

Christus is in de wereld gekomen om de band tussen God en de mensen te herstellen na de zondeval. Door ons Katholiek geloof, door de Katholieke Kerk, de sacramenten en andere gelegenheden om de genade van God te ontvangen, komen wij dichterbij God in een liefdesrelatie die uitstraalt naar anderen. Hopelijk gaan wij naar de Hemel, maar dat is niet het enige. Wij moeten ‘open’ zijn om de blijde boodschap van ons Katholiek geloof te verkondigen en zo vele anderen naar de hemel te brengen. God wil ons gebruiken als zijn instrumenten van de liefde in deze wereld om vele broeders en zusters te redden door de verlossingswerk van Christus.

kiezen_voor_God
God wil ons redden, maar tegelijkertijd respecteert God de menselijke vrijheid. Wij mogen kiezen tussen de eeuwige dood in de hel of het eeuwig leven met God in de hemel.

Zo, wat wij doen met ons leven hier op aarde is zeer belangrijk, net zoals de keuzes die wij maken. Uiteindelijk ziet God ons graag en is barmhartig. Hij wil ons redden van de zonde en ons zijn vergiffenis schenken, vooral door het sacrament van de verzoening.

Wij kunnen niet voorstellen hoe schitterend eeuwig leven zal zijn. Het is iets boven onze verbeeldingskracht. In de hemel wij zullen volmaakt en echt blij zijn met God die ons in de eeuwigheid zal beminnen.

tien_geboden (107) LR

Oordeel over ons leven.

In de hemel zijn geen automatische deuren. En het eeuwig leven is geen automatische beloning. Elke mens zal voor Christus’ rechterstoel worden gesteld en over hem zal een oordeel uitsproken worden.
Dit oordeel brengt een scheiding teweeg onder mensen en bepaalt onze uiteindelijke toekomst: hemel, vagevuur of hel.

De hemel is wat we hierboven reeds beschreven hebben: de gemeenschap van leven met de allerheiligste Drie-eenheid, met de Maagd Maria en alle engelen en heiligen.
Niet allen zullen meteen toegang krijgen tot het hemels geluk. Hoewel hun eeuwig heil wel verzekerd is, zal het voor sommigen het nodig zijn een extra tijd van loutering te ondergaan. De kerk noemt deze loutering het vagevuur.

Wanneer zij door deze loutering de noodzakelijke heiligheid hebben verkregen, kunnen zij de vreugde van de hemel binnengaan.

SONY DSC
Voor weer anderen wacht de eeuwige verdoemenis, de hel. We mogen niet zo zie alsof God een hardvochtige God is die aan sommige mensen zijn liefde en barmhartigheid weigert. Wij kunnen uiteindelijk alleen maar met God verenigd worden in de hemel als wij er zelf voor kiezen Hem te beminnen. Zij die God tijdens hun leven verwierpen kozen reeds hier op aardevoor een leven zonder God. Tijdens hun aardse bestaan kozen ze er voor van Hem gescheiden te leven. Het is deze toestand, die het gevolg is van een keuze van de mens, die zich doorzet na de dood. De hel is dus m.a.w. het zichzelf definitief uitsluiten van de gemeenschap met God en de gelukzaligen.

laatste_oordeel (104) LR Michelangelo

Amen.

En wat kunnen wij zeggen over ‘Amen’ op het einde van het Credo ? ‘Amen’ wilt zeggen dat wij geloven in wat wij hebben belijden in het Credo. Wij hebben onze zegel of handtekening op het Credo geschreven. Wij ‘geloven’ in de ene God die voor ons mensgeworden, gestorven en verrezen is en aan de rechterhand van God de Vader zit. Wij geloven dat hij een gemeenschap, de Katholieke Kerk, heeft gesticht, en in ons lichamelijk verrijzenis, in het laatste oordeel, en ‘het eeuwig leven’. Laat ons het Credo onderhouden met veel liefde en mag het ons helpen op weg naar het eeuwig leven. Amen.

amen (100) LR

De koptische kerk

Oorsprong.

Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, en leer hun alles onderhouden wat Ik jullie geboden heb. (Mat. 29: 18 – 19) In opvolging van de opdracht die de Heer hen gegeven had trokken de apostelen en de leerlingen naar verschillende streken om er het Evangelie te verkondigen.
Op de plaatsen waar de apostelen kwamen vestigden zich de eerste christelijke gemeenschappen: Rome (Petrus en Paulus), Antiochië (Petrus) en Alexandrië (Marcus). Deze plaatsen stonden garant voor de katholiciteit van het geloof vanwege het feit dat zij het geloof ontvangen hadden van een van de apostelen. De koptische christenen ontstonden in een van deze antieke christelijke gemeenschappen, in Alexandrië, het missiegebied van Marcus, in het huidige Egypte.

De benaming ‘kopt’ is een Arabische een verbastering van het Griekse woord Aegyptos wat Egypte betekent. Vanaf de islamitische overheersing werd met dit woord alle niet-molsims in Egypte aangeduid.

evangelist_marcus (100) LR koptisch
Het onstaan van de koptische kerk is te situreren in de tijd volgend op de Concilie van Efeze in 431 en het Concilie van Chalcedon in 451. Het concilie van Efeze kwam er na een lange theologische strijd tussen de bisschoppen Nestorius (Constantinopel) en Cyrillus (Alexandrië). Beide bisschoppen verschilden van mening over de wijze waarop de menselijke en goddelijke natuur in Jezus Christus verenigd werden. Nestorius legde zo sterk de nadruk op het onderscheid tussen beide naturen dat de vraag rees of er nog wel sprake kon zijn van één persoon Jezus Christus. Cyrillus neigde dan weer tot het andere uiterste en legde zo sterk de nadruk op de eenheid van beide naturen dat de vraag rees of de menselijke natuur nog wel onderscheiden werd van de goddelijke. De kwestie werd beslecht op het concilie van Efeze maar ook na de dood van Nestorius en Cyrillus bleef de discussie over het samengaan van beide naturen in Jezus aanhouden. Mede onder invloed van paus Leo de Grote zocht het concilie naar een middenweg en verklaarde dat Jezus Christus over een goddelijke en menselijke natuur beschikte die volledig en zonder vermenging verneigd werden in één persoon.
concilie_chalcedon_LR (01)
Het standpunt van Efeze en van Chalcedon heeft zich doorgezet als de mainstream van de rechtgelovigheid. Maar niet alle kerken hebben deze concilies concilie gevolgd. Zo volgen de nestoriaanse kerk, waaran de wieg in Syrië stond, nog steeds de leer van Nestorius. Een groot deel van deze kerk herstelde in de 16de eeuw de eenheid met de katholieke kerk. Dat zijn de chaldeeuwse christenen Irak, Iran en Syrië.

Ook in Alexandrië volgde niet iedereen het concilie van Chalcedon. Zo ontstond de monofysitische kerk die belijdt dat Jezus Christus slechts over één natuur beschikt waarbij de menselijke opging in de goddelijke. Pogingen om de alexandrijnen tot het geloof van Chalcedon te brengen mislukten. Toen de Perzen Egypte veroverden werd de kerk in Egypte afgesneden van de wereldkerk. Zij ontwikkelde zich verder als de koptische kerk die het geloof in de ene natuur van Jezus Christus bestendigde.

christus_pantocrator (104) LR koptisch

Onder islamitische overheersing.

De afscheiding van de koptische kerk had niet alleen te maken met de vreemde overheersing. zij is evengoed het gevolg van de spanningen tussen de patriarch van Alexandrië en de patriarch van Constantinopel sinds de 4de eeuw.

Door deze afscheiding ontstond dus een eigenstandige kerk met een eigen koptische liturgie. Het Grieks, als taal van de byzantijnse onderdrukkers, werd verworpen als liturgische taal en men maakte de overgang naar het demotisch, een oude Egyptische volkstaal, dat later zou evolueren tot het koptisch. Thans spreken de kopten arabisch, maar blijft het koptisch als liturgische taal bestaan.

Onder de Perzische overheersing van 619 tot 629 kon de koptische kerk zich vrij ontwikkelen. De Perzische machthebbers steunden zelfs de kopten omdat zij in hen bondgenoten zagen tegen de byzantijnse keizer Heraclius (610-641).

Maar de Arabische verovering van Egypte (639-646) bracht de islam en de Arabische taal naar het land. Het samenleven met de Arabieren verliep aanvankelijk vreedzaam. Temeer omdat de christenen nog steeds de grote meerderheid van de bevolking uitmaakten.

kopten (111) LR
Groei van de Arabsiche overheersing 632 – 733
De situatie veranderde vanaf de tweede helft van de 7de eeuw. De christenen werden door de moslims gedwongen om speciale kledij te dragen (een donker gewaad met een blauwe of zwarte tulband) en kenden vervolgingen onder de Omajjaden- dynastie. Onder de Fatimiden (10dee– 122deeeeuw) kenden de kopten een iets rustiger bestaan. Enkel rond het jaar 1000 heerste er een grote vervolging..

nder het bewind van de Mamelukken (133dee– 166deeeeuw) hadden de christenen opnieuw een vlaag van vervolgingen te trotseren waarbij de meeste kerken en kloosters verwoest werden. Hierbij verdween ook het Koptisch alss voetaal en werd het vervangen door het Arabisch.. Sinds de 19de eeuw kende de situatie van de koptische kerk een aanzienlijke verbetering. De bijzondere belasting (jizya taks) werd in 1855 afgeschaft. Scholen werden opgericht en eigen economische activiteiten konden worden ontplooid. Het theologische college van Alexandrië kon in 1893 opnieuw worden opgericht.
Toch blijft de toekomst onzeker. Wat zullen de rechten zijn van de koptische christenen in het Egypte van na de Arabische Lente?

kopten (110) LR

De kopten en de katholieke Kerk.

De koptisch-orthodoxe kerk is dus de grootste christelijke kerk in Egypte. De scheiding sinds het concilie van Chalcedon heeft eeuwenlang stand gehouden. Maar in de twintigste eeuw zien we echter een toenadering tot stand komen met de Rooms-katholieke kerk.
Beter historisch-thelogische onderzoek heeft aangetoond dat de doctrinele verschilpunten over de beide naturen van Christus toch niet zo ver uiteen liggen als steeds gedacht.
Maar vooral enkele symbolische daden hebben aan de wederzijdse toenadering een grote stimulans gegeven.

Zo’n belangrijke symbolische gebeurtenis is de terugkeer van de relieken van de evangelist Marcus naar Egypte geweest. Op 24 juni 1968 overhandigde paus Paulus VI de reliek met de schedel van de evangelist aan een koptische delegatie. De reliek werd voordien gedurende eeuwen bewaard in de San Marco te Venetië. Aangezien de H. Marcus beschouwd wordt als de grondlegger van de christelijke kerk in Egypte was dit een gebaar dat kon tellen.

kopten (107) LR
kopten (108) LR
kopten (109) LR

Van historisch belang was ook het bezoek van paus Shenouda III aan paus Paulus VI op 10 mei 1973 in Rome. Aanleiding was toen de ondertekening van een historische gemeenschappelijke verklaring over Jezus Christus en de start van een bilateriale dialoog tussen de twee kerkgemeenschappen.

Dit overleg resulteerde in de ondertekening van een overeenkomst omtrent de christologische leer in het koptische klooster van de H. Bishoy op 12 februari 1988. Niet alleen de katholieke en de koptische kerk waren hierin betrokken maar ook andere oosters-orthodoxe kerken zoals de Syrische, de Armeense, de Ethiopische en de Indische kerken.
Het gemeenschappelijk geloof in Christus werd er in deze korte formule uitgedrukt:


Wij geloven dat onze Heer, God en Verlosser Jezus Christus,
de mensgeworden Logos,
volmaakt is in zijn goddelijkheid en volmaakt in zijn menselijkheid.
Hij verenigde zijn menselijkheid met zijn goddelijkheid zonder vermenging.
Voor geen ogenblik en geen oogwenk
was zijn goddelijkheid gescheiden van zijn menselijkheid.

Tegelijkertijd veroordelen wij de doctrines van Nestorius en Eutyches.

christus_pantocrator (103) LR koptisch
Precies 40 jaar na de historische ontmoeting tussen paus Shenouda III en paus Paulus VI heeft paus Tawadros II, die op 18 november 2012 aan het hoofd van de koptische kerk kwam te staan, een bezoek gebracht aan de pas verkozen paus Franciscus. Bij die gelegenheid werd paus Franciscus ook uitgenodigd voor een tegenbezoek.

Tussen beide bezoek in was er ook het bezoek van paus Johannes Paulus II aan paus Shenouda III tijdens zijn apostlische reis naar Egypte in februari 2000.

Naast de koptisch-orthodoxe kerk bestaat er in Egypte ook een koptisch-katholieke gemeenschap die wel verbonden is met Rome. Zij ontstond in de 17de eeuw toen vanuit Rome en met de hulp van de missies van franciscanen en capucijnenen pogingen werden ondernomen om orthodoxe kerken weer met Rome te verenigen.Vanaf 1644 kwam er een apostolisch vicaris in Caïro. Het patriarchaat werd door paus Leo XII opgericht in 1824 en vernieuwd in 1895 door paus Leo XIII.
De koptische katholieken zijn een bloeiende gemeenschap. In 1970 waren ze met ongeveer 30.000 gelovigen en dat is tot op heden gegroeid tot ongeveer 160.000. Er zijn 7 bisdommen.

kopten (101) LR

De kopten in hedendaags Egypte.

.Ondanks de verdrukking onder een moslimheerschappij bloeit de koptische kerk in Egypte. De schattingen lopen uiteen, maar men vermoed dat ruim 8 miljoen egyptenaren (of 10% van de bevolking) koptisch is. In vergelijking met de hen omringende islamitische samenleving bieden zij zeer degelijk onderwijs, zijn ze goed georganiseerd, en hebben een goed economisch weefsel. Egypte heeft zijn koptische minderheid broodnodig.
De Egyptische overheid loopt daarom op eieren bij het bewaken van het evenwicht tussen islamitische en koptische Egyptenaren.
Al was het alleen maar omdat de Koptische lobby in Amerika de acties van de overheid onder een vergrootglas legt en Amerika jaarlijks talloze miljoenen naar Egypte sluist.
Zo werd in 2000 veel aandacht besteed aan de herdenking van de komst van de heilige familie naar Egypte en is het Koptische kerstfeest sinds 2003 een nationale feestdag.

kopten (105) LR

Klooster van de H. Antonius de Grote nabij de Rode Zee

Een belangrijke uiting van de bloei van de koptsiche kerk is het succes van het monachisme. Oude kloosters worden weer bevolkt en niuewe opgericht. Het zijn centra van geestelijk leven, maar door de hoge opleiding die vele monniken hebben genoten (als arts, geneesheer, advocaat enz.) zijn het ook centra die hun belang hebben voor de samenleving. Het aantal kloosters steeg van negen met 300 monniken in 1971 naar zestien kloosters met 1500 monniken in 2002.

Een belangrijk nieuw verschijnsel, dat in de 20ste is ontstaat, is de diaspora. Het opkomende islamisme, de economische moeilijkheden en de groeiende internationalisering hebben er toe geleid dat vele kopten zich buiten Egypte zijn gaan vestigen, zowel in het westen (Amerika, Australië en europa) al sin het Midden-Oosten (Arabië, Jordanië, de Golfstaten).

kopten (104) LR
Na de ‘arabische lente’ van januari 2011, die leidde tot de val van president Mubarak, brak weer een moeilijke tijd aan voor de koptische kerk. Vooral onder president Musri en de heerschappij van de moslimbroederschap laaide het geweld tegen de koptische en andere christen en weer op. Met uitgekiende raids vielen bendes van moslimextremesiten koptische kerken en huizen aan, plunderden ze en staken ze in brand, en doodden vaak ook de clerus en de gelovigen: Caïro, el-Marashda, Khosous….
kopten (106) LR