|
HET KIND JEZUS
EN DE STAD PRAAG

O.L.V. van de Overwinning
|
|
De
aanwezigheid van de Ongeschoeide Karmelieten in de hoofdstad van het
Keizerrijk heeft allereerst te maken met de deelname aan de slag
van de Witte Berg (8 november 1620) van de Ongeschoeide Karmeliet
Dominique de Jésus-Marie (1559-1630). Hij was beroemd en bekend als
heilige en wonderdoener en Maximilien van Beieren vroeg aan Paulus V dat
hij zou mogen deel uitmaken van het Beierse leger, dat aangesloten was bij
het leger van de keizer,
met de opdracht de Boheemse rebellen
onderdanig te maken aan de keizer.
De overwinning werd toegeschreven aan de tussenkomst van de religieus en
de keizer gaf de opdracht dat de Ongeschoeide Karmelieten een klooster
zouden bouwen te Wenen (geopend op 4 oktober 1622) en een tweede in Praag
(op 7 september 1624). In deze stad
werd hun de kerk toegewezen van de heilige Drievuldigheid, gebouwd door de
Italiaanse architect Giovanni Maria Filippi (rond 1565 - na 1631).
Deze kerk was toegewijd aan O.L.Vrouw van de Overwinning en aan de heilige
Antonius van Padua.Samen met de kerk ontvingen de religieuzen het kerkhof,
het huis van de predikant en een paleis, gift van Martin de Huerta,
officier van het keizerlijk leger.Het
klooster werd gebruikt als noviciaat. |
|
DE KOMST VAN HET BEELD

Het beeld van het Kind Jezus
te Praag

|
|
De
kronieken van het klooster van
Praag laten uitschijnen dat de
economische situatie van de kloostergemeenschap zeer onzeker was na het
vertrek van het keizerlijk Hof naar Wenen in 1628. Bijgevolg
besloot de nieuwe prior, de Duitser Jean Ludovic van de
Ten-hemel-opneming, inkomsten
te verwerven beroep doend op bovennatuurlijke middelen. Hij
gaf dus de opdracht aan de supprior en novicemeester, pater Cyprien de
Sainte Marie, een beeldje te bekomen voor de onderichting en ter stichting
van de nieuwe kloosterlingen. Het beeldje stelde de Zoon Gods voor onder
de vorm van een klein kind en diende in de gebedsplaats bewaard te worden
waar de religieuzen het konden vereren.
Het beeldje werd geschonken door Polyxena
van Lobkovic, een belangrijke weldoenster. De prinses was een van de
voornaamste figuren van de
pro-Habsburg-partij van Praag. Polyxena was de dochter van Vratislav van
Pernstein, grootkanselier van het koninkrijk Bohemen van 1565 tot 1582, en
van Maria Marique de Lara, hofdame van keizerin Maria, echtgenote van
Maximiliaan II.
Naar een moeilijk te achterhalen traditie zou het beeldje, gemaakt uit was
aangebracht rond een stuk hout, een kopie zijn van een Andalousisch
beeldje en zou het gekocht zijn door Isabel Manrique de Lara y Mendoza,
als huwelijkscadeau voor haar dochter Maria Manrique de Lara, terwijl zij
dat op haar beurt zou geschonken hebben aan haar dochter Polyxena. Op haar
beurt zou Polyxena dit beeldje dus geschonken hebben aan de Ongeschoeide
Karmelieten van Praag.
Het beeld werd geplaatst in de binnenhuiskapel van de novicen. Volgens de
kroniek-schrijver, bewees het beeldje
van meet af aan zijn diensten: Ferdinand II schonk aan het convent
een jaarlijkse rente van 2000 florijnen, betaald door de Kamer van Bohemen
en hij gaf het bevel maandelijks de pater cellier te bevoorraden. Korte
tijd daarna verdween de verering van het Kind Jezus uit de aandacht: in
1630 werd het noviciaat overgebracht naar
het nieuwe klooster te München, gesticht in 1628, terwijl de
kloosterlingen, die in Bohemen verbleven dat bezet was door de Saxen, zich
in een onzekere situatie bevonden.

|
|
DE HERONTDEKKING
VAN HET BEELD

Pater Cyriel met het beeld
|
|
In
1637 kwam een oud-novice, Pater Cyrilus van de Moeder Gods (Nikolaus
Schokwilerg, 1590-1675) terug naar het klooster van Praag. Hij staat
bekend als de voornaamste stuwkracht in de devotie tot het Kind Jezus.
Geboren in Luxemburg trad hij eerst binnen in de grote Karmel om daarna
over te gaan naar de Ongeschoeide Karmelieten in 1629. Hij begon dan zijn
noviciaat in het klooster te Praag. Gehuisvest te München, omwille van de
overbrenging van het noviciaat, sprak hij zijn geloften uit op 28 oktober
1630. Op het moment van zijn terugkeer naar Praag was de stad onderworpen
aan de dreiging van het leger, dat onder het bevel stond van de Zweedse
generaal Jan Banér, die in 1636 het keizerlijke leger zou ontbinden te
Wittstock.

Praag belegerd door de Zweden
Toen
als naar gewoonte de religieuze communauteiten aan het bidden waren dat de
stad zou gevrijwaard blijven van de dreiging van de vijand, vond pater
Cyriel het beeldje terug dat in de tijd van zijn noviciaat het voorwerp
was van zijn devotie. Het lag verlaten in een bergplaats achter het
hoofdaltaar, het was beschadigd en zonder handen. Hij gaf het terug zijn
ereplaats in de bidkapel van het klooster. De
kroniekschrijver vertelt dat, als gevolg van deze daad van verering, de
vijand zich wegtrok uit de stad, en dat het klooster, dat serieuze armoede
kende, economisch herleefde.
Tijdens de bezetting van generaal Königsmark, in 1648, zelfs al waren de
paters Karmelieten beschermd door een vrijgeleide, werd de kerk
toevertrouwd aan lutherse pastoor, terwijl het convent gebruikt werd als
hospitaal. De terugkeer tot het normale leven gebeurde in oktober, wanneer
de vrede van Westfalen getekend werd.

|
|
GROEIENDE VERERING

Het beeld met de mantel
van Maria Theresia
|
|
In
die tijd, dank zij de volharding van pater Cyriel en met de steun van de
verschillende prioren die elkaar opvolgden, werd de verering van het Kind
Jezus ter harte genomen door de communauteit, die begin november 1648
begon samen te komen in de kapel
van het Kind
Jezus voor de meditatie en de liturgie van de kleine uurtjes.
Op 14 januari 1651, het feest van de H. Naam van Jezus, leidde Kardinaal
Harrach de plechtigheden, in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de
hogere plaatselijke adel. Dit tijdsgegeven is de aanleiding geweest van de
jaarlijkse viering van het feest.
Op 26 juli 1651 heeft de algemene overste van de Karmelieten, Frans van
het Heilig Sacrament (1650-1653) ter gelegenheid van de canonieke
visitatie van het convent aan de communauteit de verplichting opgelegd de
devotie tot het Kind Jezus te bevorderen.
Op 4 april 1655, beloken Pasen, werd het beeldje gekroond door Giuseppe
Curti, titularis bisschop van Sebaste en coadjutor van de aartsbisschop
van Praag.
Op 16 juli zal dezelfde bisschop de nieuwe kapel inzegenen, gelegen aan de
ingang van de klooster-kerk, gebouwd volgens de wilsbeschikking van de
gestorven Johann Ernst von Tallenberg zu Flaschin. Hij stelde het beeldje
van het Kind Jezus voor ter publieke verering. Op 4 april 1657 heeft de
kloostergemeenschap een eeuwige fundatie gekregen voor het celebreren van
missen op iedere donderdag, een kapitaal ter waarde van 2500 florijnen.
In deze periode, rekening houdend dat de volksdevotie in stijgende lijn
ging, werd de kapel van het Kind Jezus te klein. De religieuzen gaven
opdracht aan Kilian Dienzenhofer, architect van de St.-Niklaaskerk een
project te tekenen tot vergroting. Dit project werd nooit uitgevoerd
wegens tekort aan geld. Als reactie hierop werd op 13 januari 1741, het
beeld van het Kind Jezus op het tweede zijaltaar geplaatst, rechts in de
kerk, waar het zich nu nog bevindt.
In 1740, na de dood van keizer Karel VI, brak een oorlog uit tussen de
kroonpretendenten Maria Theresia en Karl Albrecht von Bayern. Deze laatste
bezette Bohemen met de hulp van de
Fransen en, op 19 december 1741, liet deze zich uitroepen tot koning van
Praag. Het feit dat de troepen niet aan het plunderen sloegen, werd
beschouwd als een teken van bescherming vanwege het Kind Jezus. Men zal
aan het Kind Jezus een ex-voto wijden in de vorm van een kanonbal die op
23 december naast het altaar geplaatst werd. Vanaf de zomer van 1742 tot
begin januari 1743, terwijl Praag werd belegerd door de Oostenrijkse
troepen, werd de kerk van de Ongeschoeide Karmelieten een haard van
weerstand tegen de Franse bezetting.
Deze houding beviel de bewoners van het klooster die in de meerderheid
Duitsers waren. Als teken van erkentelijkheid zal Maria Theresia, na haar
kroning tot koningin van Bohemen, de kerk van de Overwinning bezoeken en
het Kind Jezus een gift schenken in de vorm van een prachtig
goud-gebrodeerd kleed dat men nu nog bewaart.

|
|
EEN PERIODE VAN NEERGANG
|
|
Op
3 juli 1784, in het kader van de maatregelen genomen door keizer Jozef II,
werd het klooster van de Ongeschoeide Karmelieten opgeheven, zijn 44
bewoners werden verdreven en de schatten van de kerk openbaar verkocht.
Het gebouw werd gedeeltelijk de zetel van het gouvernement en gedeeltelijk
een school, terwijl de tuin geschonken werd aan het seminarie. Op 25
september werd de zetel van de parochie gevestigd in de kerk van O.L.Vrouw
van de Overwinning. Voordien was ze in de naburige kerk O.L.Vrouw met de
ketting, waar de Orde van Malta zijn plechtigheden had. Men vertrouwde hen
het
beheer toe van de kerk. De aandacht voor het Kind Jezus, die niet meer
ondersteund werd door de Ongeschoeide Karmelieten en ook niet meer
gedragen werd door de religieuze denkwereld van de eeuw van de
Verlichting, kende een periode van neergang. |
|
INTERNATIONALE VERSPREIDING |
|
De
wijziging van context en het herstel van de religieuze orden bevoordeelden
in de tweede helft van de XIXe eeuw de terugkeer naar de devotie tot het
Kind Jezus. De aanwezigheid van het beeld werd systematisch bevorderd en
werd niet meer uitsluitend toevertrouwd aan kerken en kapellen van de
broeders, de religieuzen en de nieuwe congregaties verbonden aan de Orde
van de Ongeschoeide Karmelieten.
In het begin was het een spontane opwelling, maar zeer vlug gekanaliseerd
van officiële zijde. Op vraag van de Generale Overste, Ezechiël van het
heilig hart van Jezus, keurde Paus Pius X op 30 maart 1913 de devotie goed
met de woorden “jure meritoque
Carmelitarum ordinis propria” en verleende hij aan de hoofdmoderator van
de Orde de mogelijkheid de broederschap van het Kind Jezus van Praag in
het leven te roepen, in alle kerken ter wereld, of ze nu aan de Orde
toebehoorden of niet. Op 24 juli 1913 keurde de Congregatie van het
Concilie de statuten van de broederschap
goed, met als doel: “de verspreiding van de cultus ter ere van het kind
Jezus, met het oog op het leren van de waarde van het verborgen leven met
zijn onzegbare deugden, van die aard dat de harten van de gelovigen
ontvlammen tot liefde voor het mensgeworden Woord”.
Men gaf de aanbeveling het volbrengen van religieuze daden op de 25e
van elke maand en het celebreren van het jaarlijks feest op de zondag na
de Besnijdenis en het dragen van de medaille van het Kind Jezus. Er was
ook de aanbeveling vaak deel te nemen aan het sacrament van de biecht en
de eucharistie. Op 27 november 1913 werden volle en gedeeltelijke aflaten
toegekend. Er was tenslotte de aanbeveling aan de verantwoordelijke van de
kerken die niet tot de Ongeschoeide Karmelieten behoorden en die de
broederschap wilden stichten daartoe de toelating te vragen aan de
algemene Overste van de Ongeschoeide Karmelieten, nadat ze eerst het
akkoord gekregen hadden van het eigen bisschop.

|
|
Tsjechië |
|
De
manier waarop de devotie in de verschillende landen van de wereld werd
ontvangen, was nogal gevarieerd..
In het Duitse taalgedeelte heeft de redemptorist Josef Mayer een
belangrijke rol gespeeld. Ten
gevolge van het werk van Mayer, werd de Broederschap van het Kind Jezus ingesteld
in Praag in 1895, goedgekeurd door de Congregatie van de Riten. In
1912 ondernamen de Ongeschoeide Karmelieten tevergeefs een poging om hun
oude kerk terug in bezit te nemen.
Na de eerste wereldoorlog was Karel Kaspar, aartsbisschop van Praag van
1931 tot 1945, zeer bedrijvig tot het herstel van de devotie. In 1923
werd ze ingebracht in de herdenkingsplechtigheid van de dood van de
heilige Wenceslas, patroon van de Bohemen. In maart 1934 werd de Tsjechische
jeugd toegewijd aan het
Kind Jezus in een ceremonie waarin alle kinderen van de natie
vertegenwoordigd waren. Op 28 april 1935 vierde men het tweede eeuwfeest
van de kroning van het beeldje en van 27 tot 30 juni van hetzelfde jaar
had het Eucharistisch Nationaal Congres plaats en een gedeelte daarvan
ging door in de kerk van O.L.Vrouw van de Overwinning. Daarenboven heeft
Kaspar de verspreiding van de cultus van het Kind Jezus bevorderd in
Centraal Europa en Noord Amerika, waar de Tsjechische emigranten een grote
rol speelden in de verspreiding. Na de tweede wereldoorlog heeft de
Tsjechische Caritas een monument opgericht vlak voor de kerk, ter
herinnering aan de kinderen gesneuveld in de oorlog. Het
monument werd ingezegend in 1947 door Jozef Beran, aartsbisschop van
Praag, kort voordien teruggekeerd uit het kamp van Dachau. Het was de
laatste publieke daad, voor de lange stilte teweeggebracht door het
IJzeren Gordijn. |
|
België |
|
In
België, vanaf 1889, hebben de Ongeschoeide Karmelieten van Gent,
Mons, Charleroi, Antwerpen, Luik, Chèvremont en Brussel de leden
georganiseerd in broederschappen, voorzien van eigen drukkerij. Tussen
1889 en 1893 hebben zij het tijdschrift uitgegeven “Chroniques du
Carmel”; in 1953 stichtten zij “Messager de l’Enfant Jésus de
Prague”. Te Brussel bouwde men in 1897 onder de stuwende kracht van
Gabrielle Fontaine een kapel, toegewijd aan het Kind Jezus. Deze kapel
stond onder het beheer van de paters Barnabieten. In 1906 bouwde men op
die plaats een neogotische kerk, die intussen het voornaamste centrum
geworden is toegewijd aan het Kind Jezus en met een eigen uitgave
“Petite revue de l’Enfant Jésus”, gesticht in 1895.

|
|
Frankrijk |
|
In
Frankrijk vond het Kind Jezus van Praag
een terrein dat voorbereid was door de beweging, gestart door de H.
Margareta van het heilig Sacrament. Zij is gestorven te Beaune in 1646.
Van haar komt het gebruik van het kroontje. Het zijn vooral de
Ongeschoeide Karmelieten die verder gezorgd hebben voor de
verspreiding. Het is bekend dat te Lisieux, in de tijd van de heilige
Theresia van het Kind Jezus, de kloostergemeenschap de devotie toegewijd
was van het Kind Jezus van Praag. Dank zij de missionerende inzet vanuit
Frankrijk en tegelijk ook vanuit België, kon deze devotie de wereld door
verspreid worden. |
|
Ierland |
|
In
Ierland was er in 1890, bij het heiligdom van Loughrea waar de
Ongeschoeide Karmelieten woonden, een broederschap van rond de 20.000
leden. |
|
Spanje |
|
In
Spanje kende de devotie tot het Kind Jezus een zeer snelle opgang.
Onder de pioniers was er een seculiere priester, Juan Montalt, geboren in
1866 te Socalm in de provincie Girona. Op 1 januari 1897 plaatste hij een
beeld van het Kind Jezus van Praag in de kerk van de zusters Visitandinnen
te Barcelona en op 27 november 1898 werd de Broederschap van het Kind
Jezus van Praag gesticht waarvan hij de leiding had en waar een speciale
verering was elke 25e dag van de maand en op Palmenzondag. Met
de opbrengst van de ledenbijdrage bekostigde hij werken ten voordele van
armen en van zieken. Het beeld van het Kind Jezus werd geplaatst in de
scholen en in de huizen, en met dat doel werkte men een ritueel uit,
gepubliceerd te Barcelona in 1922. In 1909
maakte Montalt het project een heiligdom te bouwen ter ere van het Kind
Jezus, te San Hilario de Socalm, zijn geboorteplaats.
Dit werd ingewijd in mei 1918, kort na de dood van Montalt, plots
gestorven op 14 januari 1918. Zijn werk werd voortgezet door de Catalaanse
Ongeschoeide Karmelieten. De leiding van de beweging werd opgenomen door
pater Ludovico de los Sagrados Corazones (1867-1920). Priester gewijd in
1890, stichtte hij in 1900 te Tarragona in de kerk van zijn Orde, de
Archicofradia del milagroso Nino Jesus de Praga, die ieder jaar op de
laatste zondag van januari de toewijding van de kinderen organiseerde aan
het Kind Jezus van Praag.

|
|
Latijns-Amerika |
|
De
Ongeschoeide Karmelieten droegen de devotie uit van Spanje naar Latijns
Amerika. Cuba werd een belangrijk centrum van verspreiding. De
devotie werd er gepromoveerd door de Ongeschoeide Karmelieten Aurelio de
la Virgen del Carmen (1861-1920), Cubaan, bisschop geworden van Cienfuegos
in 1904, en door Elias de la Sagrada Familia (1879-1942) die de kerk van
Camaguey wilde omvormen tot een nationaal heiligdom.
Een tweede groot centrum was Santiago de Chile, waar de
broederschap gesticht is in 1910 en waar een groot heiligdom werd
ingezegend op 21 november 1920, met medewerking van de burgerlijke en
religieuze gezagsdragers en gewoontegetrouw het kronen van het beeld. |
|
Italië



Postzegels uitgegeven door de Vaticaanse Post in
1968
|
|
In
Italië waren de Ongeschoeide Karmelieten van Milaan officieel de
eersten om de devotie in praktijk te brengen: op 6 december 1895 vroegen
zij aan kardinaal Andrea Ferrari de toelating om het Kind Jezus te
plaatsen in de kerk Corpus Domini, waar een beeldje ook effectief
geplaatst werd. Nochtans was het heiligdom van Arenzano, niet ver van Genova,
dat het voornaamste centrum van verspreiding is geworden. In 1889 werd er
een klooster van Ongeschoeide Karmelieten gesticht, toegewijd aan de H.
Theresia. Op 25 september 1900 plaatste de prior Jean de la Croix
onder het beeld van O.L.Vrouw van de Karmel een klein schilderijtje
met de weergave van het Kind Jezus van Praag. Dit
schilderijtje werd spoedig vervangen door een beeldje, gelijkend op dat
van Praag, geschonken door de Markiezin Delfina Gavotti de Savona en
gezegend op 2 januari 1902. Op 13 oktober 1903 ontstond de Broederschap
van het Kind Jezus van Praag en Pius X
verleende er de
gangbare aflaten aan. Op het einde telde de broederschap ongeveer 500.000
leden in Italië en ze breidde nog uit in het buitenland, dank zij de
emigranten. In 1930 telde de genootschap zo’n twee miljoen leden. De
bouw van een nieuw heiligdom begon in 1904 en het werd in gebruik genomen
op 6 september 1908 door de bisschop Alessandro Zanecchia Ginetti, een
Ongeschoeide Karmeliet. Symbolisch werd ze aangeboden aan Pius X ter
gelegenheid van zijn 50-jarig priesterjubileum.
Op 7 september 1924 wordt tengevolge van een decreet van het kapittel van
Sint Petrus, het beeldje van het Kind Jezus gekroond door kardinaal
Rafaele Merry del Val. De kerk werd plechtig geconsacreerd in 1928 en op 6
mei van hetzelfde jaar zal Pius XI haar de titel verlenen van basilica
minor. In 1966 werd de band met de oorsprong van de beweging bevestigd
wanneer kardinaal Jozef Beran, aartsbisschop van Praag het heiligdom
inzegent na zijn restauratie. Kort nadien, niettegenstaande de
moeilijkheden vanwege het Tsjechisch regime, vertrokken de eerste pelgrims
naar Praag vanuit Arenzano.

|
|
De rest van de wereld |
|
In
Brazilië zoals ook in de Filippijnen wordt de cultus beschouwd als
nationaal. Nieuwe centra zijn ontloken in verschillende landen: het
heiligdom van Santo Nino in Bogotta (Columbië); de kerken van Cochin,
Kottayam, Bombay, Mangalore, Trichy, Calcutta in Indië, het heiligdom van
Benin City in Afrika. |
|
HET KIND JEZUS IN TONGEREN |
|
Wanneer de congregatie
van de zusters van de HH. Harten 25 oktober 1894 in Tongeren een nieuw
klooster stichtten werd tegelijkertijd een beeld van het Kind Jezus van
Praag in de kapoel van de zusters geplaatst. De verering van het beeld en
de uitbouw van een genootschap voor kinderen (sinds 1914) was er nauw
verbonden met de school die aan het klooster verbonden was. Langs de
kinderen om vond het Klein Werk van het Kind Jezus ook zijn weg naar tal
van families, vrienden en weldoeners.
Vanaf 1898 begon met ook met de uitgave van een tijdschrift, onder de
titel "Het Klein Werk van het goddelijk Kind Jezus". Gaandeweg
werd dit tijdschrift een instrument van evangelisering. Later wijzigde de
titel in "Ontmoeting". |
|
HET KIND JEZUS IN
DE ABDIJ VAN TONGERLO

De kapel in de
abdijkerk van Tongerlo
|
|
De congregatie van der
zusters van de HH. Harten besliste in 2003 om het klooster in Tongeren op te
heffen. Daarmee diende voor het beeld van het Kind Jezus van Praag, na 109
jaar verblijf in Tongeren, een nieuw onderkomen gezocht te worden. Zo
verhuisde het beeldje op 25 oktober 2004 naar de abdij van Tongerlo, waar
het een plaats vond in een nieuw ingericht kapelletje nabijde ingang van
de abijdkerk.
Het tijdschrift "Ontmoeting" werd samengevoegd met
"Tongerlo", het tijdschrift van de abdij.

|
|
|
|