De apostel Petrus

Petrus de visser.

petrus (107) LR Bethsaida

Na Jezus is Petrus de bekendste en, in het Nieuwe Testament, de meest geciteerde persoon: hij wordt 154 keer vermeld met de bijnaam Pétros, “steen”, “rots”, wat de Griekse vertaling is van de Aramese naam Kefas, die hem rechtstreeks door Jezus is gegeven, waarover 9 getuigenissen bestaan, vooral in de brieven van Paulus. Daar moet nog aan toegevoegd worden het frequente gebruik van de naam Simon (75 keer), die de vergriekste vorm is van zijn oorspronkelijke Hebreeuwse naam Simeon (Hand 15,14)

Petrus was de zoon van Johannes (Mt 16,17), uit Betsaïda, een stadje ten oosten van het meer van Galilea, waar ook Filippus vandaan kwam en uiteraard ook zijn broer Andreas. Zijn spraak verraadde zijn Galilese accent. Samen met het gezin van Zebedeüs, de vader van Jakobus en Johannes, hadden zij een vishandel aan het meer van Galilea (Lc.5,10).

Petrus moet dus een zeker gemak in zaken hebben gehad en was bovendien bezield met een oprechte godsdienstige belangstelling, een verlangen naar God.

Hij verlangde dat God in de wereld tussenbeide zou komen – een verlangen dat hem ertoe aanzette om zich samen met zijn broer tot in Judea te begeven om de prediking te volgen van Johannes de Doper (Joh. 1, 35-42): “De volgende dag stond Johannes daar weer, nu met twee van zijn leerlingen”

Petrus was een gelovige en praktiserende Jood. Hij was getrouwd, zijn schoonmoeder leefde in de stad Kafarnaum. In de evangelies komt hij naar met een vastberaden en impulsief karakter. Tegelijkertijd is hij soms ook argeloos en vreesachtig, en toch eerlijk, tot het meest oprechte berouw toe na zijn verloochening van Jezus (Mt. 26,75):

“Petrus herinnerde zich het woord van Jezus die gezegd had: ‘Voor het kraaien van de haan, zult ge Mij driemaal verloochenen.’ Hij ging naar buiten en begon bitter te wenen.”

Roeping.

Het vertrekpunt van Petrus ligt bij zijn roeping door Jezus. De Meester ziet twee boten voor anker liggen aan de oever. De vissers zijn er uitgegaan en spoelen de netten. Hij vraagt aan boord te mogen stappen, in die van Simon, en vraagt hem een eindje van wal te steken. Gezeten op deze geïmproviseerde cathedra of leerstoel, begint Hij de menigte vanuit de boot te onderrichten. Zo wordt het bootje van Petrus de leerstoel van Jezus (Lc. 5,1-3).

Een belangrijk moment van betekenis op zijn geestelijke weg zal Petrus beleven in de omgeving van Caesarea van Filippus, wanneer Jezus zijn leerlingen een duidelijke vraag stelt (Mc. 8,27-29): “Wie zeggen de mensen dat Ik ben.” Voor Jezus is een antwoord van horen zeggen niet voldoende.
Van degene die aanvaard heeft persoonlijk bij Hem betrokken te raken, wil Hij een persoonlijke stellingname. Daarom vervolgt Hij: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben” Waarop Petrus, ook namens de anderen, antwoordt: “Gij zijt de Christus”, dat wil zeggen de Messias. Dit antwoord van Petrus, dat niet van “vlees en bloed” van hem kwam, maar dat hem door de Vader werd gegeven die in de hemel is, bevat in zich, als in kiem, de toekomstige geloofsbelijdenis van de Kerk.

Petrus leert gaandeweg wat het betekent om Jezus echt te volgen. Dat is zijn tweede roeping, analoog aan die van Abraham in Genesis 22. “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, zal het redden” (Mc. 8, 34-35) Al kost het hem ook moeite, Petrus neemt de uitnodiging aan en volgt zijn weg in het voetspoor van de Meester.
petrus (106) LR

Petrus wordt Kefas.

Wanneer de evangelist Johannes over de eerste ontmoeting vertelt van Jezus met Simon, de broer van Andreas, legt hij een bijzonder feit vast: “Jezus zag hem aan en zei: ‘Gij zijt Simon, de zoon van Johannes; gij zult Kefas – dat betekent: Rots – genoemd worden’” (Joh. 1, 42)
Jezus was niet gewoon zijn leerlingen een andere naam te geven. Met uitzondering van de zonen van Zebedeüs (Mc. 3, 17) heeft Hij aan geen enkele leerling ooit een nieuwe naam gegeven.

Dat heeft Hij daarentegen wel gedaan met Simon, toen Hij hem Kefas noemde, een naam die vervolgens in het Grieks werd vertaald als Pétros, in het Latijn Petrus. En hij werd juist daarom vertaald, omdat het niet alleen om een naam ging: het ging om een “mandaat”, een opdracht die Petrus op die manier van de Heer ontving.

petrus (106) LR kefas

Een leider met sleutels.

In Caesarea belijdt Simon dat Jezus de Messias is, de Zoon van de levende God. Daarop antwoordt Jezus: “Gelukkig ben jij, Simon Barjona; niet vlees en bloed hebben jou dat onthuld, maar mijn Vader in de hemel. Ik zeg jou: jij bent Petrus; op die steenrots zal Ik mijn kerk bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet onder krijgen. Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen, en wat je op aarde bindt zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.” (Mt.16,16-19) Op deze tekst berust het primaatschap van Petrus en het pausambt.

Na de Hemelvaart van Jezus nam Petrus direct de leiding van de eerste geloofsgemeenschap in handen en regelde hij onder meer dat Judas Iskariot een opvolger (Matthias) krijgt. In tegenstelling tot Paulus predikte Petrus voornamelijk onder de Joden.

In Caesarea doopte Petrus de heidense centurio Cornelius zonder eerst diens besnijdenis als voorwaarde te stellen. Daarvoor moest hij zich in Jeruzalem verantwoorden. Hij verdedigde zijn optreden en getuigde ervan dat de heidenen het Woord van God hadden aangenomen.

Ook beschreef hij zijn visioen waarin God hem openbaarde dat er geen onreine dieren meer zijn.

Rond het jaar 44 werd Petrus op last van koning Herodes gevangengenomen. In de Handelingen der Apostelen (12,3-10) wordt vertelt hoe dat hij door een engel op wonderbaarlijke wijze wordt bevrijd.

Apostelconcilie.

In het jaar 49 of 50 was Petrus in Jeruzalem om het Apostelconcilie voor te zitten. Deze kerkvergadering ging over de kwestie of gedoopte heidenen besneden moeten worden en of zij gehouden zijn aan de Tora. Petrus was ervan overtuigd dat het niet nodig was om dit “juk” op te leggen, omdat de verlossing niet afhing van het onderhouden van de Wet, maar van de genade van Christus (Hand. 15,11).

Na het concilie vertrok Petrus naar Antiochië. Hoewel hij vond dat de Joodse Wet (=Tora) niet meer onderhouden hoefde te worden, ging hij er toch weer toe over nadat Joodse christenen in Antiochië waren komen wonen. Dit tot ergernis van Paulus

“Toen Kefas in Antiochië gekomen was, heb ik hem openlijk de waarheid gezegd, want hij bleek schuldig. Immers, voordat sommige mensen van Jakobus gekomen waren, at hij altijd samen met de heidenen, maar toen zij gekomen waren, begon hij zich terug te trekken en afzijdig te houden, bang voor de mannen van de besnijdenis. En ook de andere Joden waren net zo huichelachtig als hij, zodat zelfs Barnabas zich door hun huichelarij liet meeslepen.
Maar toen ik zag dat zij niet recht op de waarheid van het evangelie afgingen, zei ik tegen Kefas waar ze allemaal bij waren: ‘Als jij, een geboren Jood, leeft als een heiden en niet als een Jood, hoe kun je dan de heidenen dwingen om te leven als Joden?”
(Gal.2,11-14)

petrus (105) LR apostelconcilie

Martelaarschap.

Na een aantal jaren ondernam Petrus vermoedelijk een aantal missiereizen. Uiteindelijk vestigde hij zich in Rome. Daar stierf hij in het jaar 64 bij de christenvervolging onder keizer Nero de marteldood in het Circus van Caligula op de Vaticaanse heuvel. Hij zou daar met zijn hoofd naar beneden gekruisigd zijn. Zijn lichaam werd door christenen in een graf naast het circus gelegd. Keizer Constantijn de Grote liet bovenop het graf van Petrus een basiliek bouwen.

In het Nieuwe Testament vinden we twee brieven die zijn toegeschreven aan Petrus. De evangelist Marcus wordt beschouwd als de gezel van Petrus. In de eerste brief van Petrus wordt Marcus er “mijn zoon’ genoemd (1 Petr. 5,13)

De marteldood van Petrus wordt herdacht op het hoogfeest van Petrus en Paulus op 29 juni. Op 22 februari viert de Kerk het Feest van Petrus’ Stoel – de Cathedra van Petrus.

Petrus wordt vaak afgebeeld met een omgekeerd kruis, een haan en een sleutel.

petrus (104) LR kruisiging