De Geloofsbelijdenis: Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde.

Het jaar 2013 werd uitgeroepen tot het “Jaar van het Geloof”. Daarmee wil paus Benedictus de gelovigen uitnodigen tot een verdieping van de kennis van hun geloof en tegelijkertijd ook een impuls geven aan de evangelisatie van Europa. Met Jongerlo willen we ons steentje bijdragen en elke maand een bijdrage leveren over een artikel van onze geloofsbelijdenis. Twaalf maanden = twaalf artikelen.

Ik geloof

“Bewaar de u toevertrouwde schat
met de hulp van de heilige Geest die in ons woont.” (2 Tim. 1,14)

Als wij op zon- en feestdagen de geloofsbelijdenis bidden: gezongen of gesproken, in het Nederlands of het Latijn, dan zeggen wij als verzamelde geloofsgemeenschap: “Ik geloof” en niet “Wij geloven”. Waarom niet? We bidden het toch allemaal samen? En toch zegt ieder voor zich “‘Ik geloof – Credo”.
We kunnen maar “Ik geloof” zeggen dankzij het doopsel: de genade en het geloof dat wij van de Kerk ontvingen. Dus “Ik geloof – credo” sluit het “Wij geloven – Credimus” niet uit.

Het “wij geloven” is breed: het gaat om het geloof van de Kerk, het geloof dat het Volk van God al 17 eeuwen op deze wijze belijdt en uitdrukt. De formule die wij kennen als de geloofsbelijdenis stamt uit de 4de eeuw en werd door de Concilies van Nicea en Constantinopel bevestigd.

De tekst van de geloofsbelijdenis verzamelt christenen in hetzelfde geloof: met name in de Drie-ene God: Vader, Zoon en heilige Geest die liefde is (1 Joh 4,8). Telkens wanneer we de geloofsbelijdenis bidden dan ijken en herijken we ons eigen leven op het geloof in Christus.

In die zin is de geloofsbelijdenis veel meer dan een loutere formule met moeilijke woorden. Deze tekst spreekt ons over het wezen van God zelf en hoe deze zich geopenbaard heeft in de tijd en in de wereld.

Als we de geloofsbelijdenis bidden dan belijden wij niet zozeer een theorie, maar wel Iemand: God zelf die zich heeft getoond hier op aarde in zijn Zoon Jezus Christus die mensen tot z’n leerlingen maakte en zo de Kerk gesticht en gewild heeft als forum van Gods genadegaven doorheen de sacramenten.

Het is dus dankzij de Kerk, dankzij het doopsel, dat wij kunnen komen tot de belijdenis van het geloof. Want het doopsel maakt de weg vrij om de heilige Geest in onze ziel te laten wonen (2 Tim 1,14).

credo (113b)

In God.

“De Heer is een barmhartige God: lankmoedig, groot in liefde en trouw.” (Ex. 34,5-6)
Wij geloven en belijden dus God. De drie-ene God, Vader, Zoon en heilige Geest. Hij is het Onderwerp van het geloof.
Doorheen de tijden maakte God zich kenbaar aan deze wereld. Aanvankelijk slechts aan het volk Israël door Mozes en de profeten. Aan Mozes gaf God zijn naam: Ik ben die er is. (Ex. 3,13-15). God openbaarde zich in het Eerste Verbond als een God van eeuwigheid maar ook van trouw. Hij zal er altijd zijn voor z’n volk.

credo (109)
Als we het Oude Testament aandachtig lezen merken we dat het volk van God vaak zondigt tegen Gods geboden … maar desondanks blijft God hen trouw, want zo had Hij gezworen aan Abraham, aan Mozes, aan koning David, aan de profeten.

In Christus heeft God zichzelf geheel geopenbaard. Jezus Christus dus, het vlees geworden Woord, als mens tot de mensen gezonden, spreekt Gods eigen woorden (Job. 3, 34), en volbrengt het heilswerk dat de Vader Hem te doen gegeven heeft.
Jezus zelf zegt: “Wie Mij ziet, ziet de Vader”, vervult de Openbaring, brengt haar tot voltooiing en bekrachtigt haar met goddelijk getuigenis door geheel zijn tegenwoordigheid en verschijning, door woorden en werken, door tekenen en wonderen, vooral echter door zijn dood en glorievolle opstanding uit de doden.

credo (107)
En tenslotte door de zending van de Geest der waarheid, een waarheid die erin bestaat dat God met ons is om ons te bevrijden uit de duisternis van zonde en dood en ons op te wekken tot het eeuwige leven (Dei Verbum 4).
Christelijk geloven betekent dus de definitieve zelfopenbaring van God in Jezus Christus aanvaarden en op die openbaring antwoorden door je levenswandel af te stemmen op Hem. In feite dient elke christen zich over te geven aan God. Dat moeten niet alleen priesters en religieuzen doen (zij doen het heel expliciet), maar alle gelovigen zijn geroepen om God een bevoorrechte plaats te geven in het leven, niet slechts één uur per week op zondag, maar gedurende alle dagen doorheen gebed, goede werken, als ouder je kind christelijk opvoeden.
credo (110)
In de Kerk. Kan je dan in God geloven zonder je tot de Kerk te bekennen en zonder naar de kerk te gaan? Eigenlijk niet. Het geloof ontving je met het doopsel in de Kerk. Daar ontving jij het geloof. In de Kerk schenkt God zich op zo’n bijzondere en exclusieve manier doorheen de sacramenten, doorheen zijn Woord en dankzij de eenheid en het geloof van de Kerk, dat je Hem nergens beter zult leren kennen.
Geloof vraagt om verdieping, om voeding. Geloven is trouwens geen éénmanszaak… God schenkt nooit de genade van het geloof om een individualist of een egoïst te blijven of te worden. Doorheen de geschiedenis van de Bijbel zien we dat God steeds mensen roept om zich in dienst te stellen van het gehele volk van God. Vaak heel expliciet als Hij profeten of apostelen roept; maar ook roept Hij vele mensen tot het huwelijk om de scheppingsopdracht te volbrengen: de aarde te bevolken en vooral God helpen om zich een blijvend volk te verwerven. Om niemand anders is God mens geworden dan om jouw en mijn heil.

God is niet afgedaald uit den hoge voor de bomen alleen, neen, wel om de mensen te verlossen en weer te verenigen met Hem.

De Kerk gelooft en belijdt dat er na Jezus Christus geen publieke openbaring meer te verwachten is vóór de glorievolle wederkomst van onze Heer zelf. Wij leven dus in een gelovige tussentijd van wat wij al weten dankzij Gods Openbaring en wat wij nu geloven en waarop wij hopen en vertrouwen: de ontmoeting met God zelf die liefde is.

credo (114)

De almachtige Vader.

“De Heer draagt zorg voor U.” (Ps. 116,7b)

Over de almacht van God bestaan er heel wat misvattingen. Als we over Gods almacht spreken dienen we dat te doen met de Bijbel in de hand.

Elke vergelijking met een aardse politieke machthebber loopt immers mank als het om Gods Almacht gaat. Van alle eigenschappen van God (dat Hij liefde is, barmhartig, trouw, enzovoort) belijden wij alleen in de geloofsbelijdenis dat Hij almachtig is. En dit is van groot belang voor ons geloofsleven.

Hoe moeten wij die goddelijke almacht dan verstaan?

credo (115)
Gods almacht is universeel: niets of niemand kan zich onttrekken aan de almacht van God, want God die alles geschapen heeft (Gen. 1,1), regeert alles en kan alles.

Gods almacht is liefdevol: zijn almacht zit dus boordevol liefde, want God is onze Vader (Mt 6,9). Hij oefent zijn almacht steeds uit tot ons welzijn.
Gods almacht is mysterievol: ze is dus niet altijd goed door mensen te bergijpen en te doorgronden. Alleen het geloof kan haar onderscheiden – want kracht wordt in zwakheid volkomen (2 Kor. 12,9)

credo (117)
Verder lezen we in psalm 115,3: “Hij handelt zoals Hij verkiest.” De heilige Schrift spreekt ons meermaals over de universele macht van God. Hij wordt genoemd: de Sterke, de Machtige, de Heer der Heren, de God der goden (Ps. 24; Ps. 85; Ps. 135; Gen.49,24; Jes.1,24).

Als we de heilige Schrift lezen dan zien we dat de Almachtige God steeds trouw blijft aan Zijn verbond; dat Hij toornig wordt op hen die Zijn verbond met voeten treden; dat Hij zich ontfermt; zich bekommert om zijn kinderen, ook al als deze duistere wegen bewandelen (Ez. 18). Jammer genoeg krijgen wij op onze planeet talloze slechte voorbeelden van machtsmisbruik of van een heerszucht waardoor wij met een zeer gekleurde opvatting de woorden als macht of heerschappij begrijpen. Als Vader is Hij zorgzaam voor voor de mens.

“Hij koestert ze, zorgzaam als een Herder.” (Jes. 40,11)

Schepper van hemel en aarde.

“Ach, Heer god! Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt in uw grote macht,
met opgeheven arm. Niets is onmogelijk voor U.” (Jer. 32,17)

God is de Schepper van hemel en aarde, Hij is de Heer van het heelal. Zijn almacht is ook hierin werkzaam. Op welke manier? Hij is de oorsprong van scheppingsorde, deze blijft geheel aan Hem onderworpen, en Hij blijft erover beschikken.

Heel concreet geloven wij dat God de zon en de planeten geschapen heeft. Wie moeite heeft met het woord almacht in de schepping die kan eens kijken naar de zon. Niemand kan beweren dat de zon de dag genadeloos uitbuit of dat de maan de nacht zou vernietigen, integendeel. De woorden almacht en heerschappij krijgen in het licht van Gods openbaring een structurerende, ordenende en leidinggevende betekenis.

credo (118)
Te midden van de schepping schiep de Drie-ene God de mens. Hij schiep de mens niet naar willekeur maar wel naar Zijn beeld en gelijkenis. Identiek aan Gods’ handelen met de schepping kreeg de mens een identieke taak mee: “heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al het gedierte dat rondkruipt.” (Gen. 1,27-29) De scheppingsopdracht kan dus niet ingevuld worden als een repressieve of vernietigende activiteit.

credo (116)
De mens krijgt een verantwoordelijkheid mee als beheerder voor de schepping om er behoedzaam en zorgvol mee om te gaan, niet om erover te heersen als een vernietigende dictator.

“Hoeveel is het wat Gij gedaan hebt, Heer, en alles in wijsheid gemaakt. (Ps.104,24)

Laten we ons het vers uit de eerste Johannesbrief nog eens in herinnering roepen: “God is liefde” – deze drie-ene God die liefde is heeft de kosmos en de wereld geschapen. Dezelfde apostel Johannes schreef aan het begin van zijn evangelie: “Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is” (Joh.1,3). Sint-Paulus schreef aan de christenen van Kolosse: “Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem” (Kol. 1,16-17).

In de loop van de geschiedenis is de schepping vaak de deur geweest om tot het geloof te komen in de Schepper. De schoonheid van de natuur, de complexe verhoudingen tussen sterrenstelsels en andere natuurwonderen leiden tot het nederige besef dat Gods almacht dit alles heeft geschapen.

De heilige Bonaventura zei dat God alles geschapen heeft, niet om zijn heerlijkheid te vergroten, maar om deze heerlijkheid te tonen en mee te delen. Want God heeft geen andere reden om te scheppen dan zijn liefde en goedheid.

En het is in deze liefde en met deze goedheid dat Hij in zijn goddelijke Voorzienigheid de schepping leiding geeft.

“Het is immers altijd mogelijk uw macht te ontplooien
en wie zal er weerstaan aan de kracht van uw arm?” (Wijsh. 11,21)

credo (119)