6. Bekering

Als Norbertus langzaam weer wakker wordt is het voor hem onduidelijk of hij al uren of een eeuwigheid op de grond heeft gelegen. Naast hem staat zijn trouwe compagnon, maar hij voelt zich eenzaam, verlaten en gebroken.

Hij ziet zijn leven aan zich voorbij schieten en hij begint in te zien hoe ledig, zelfzuchtig en egoïstisch hij is geweest. Uiteindelijk kan hij zich niet meer inhouden en hij schreeuwt met alle macht: “Heer, wat wilt U dat ik doe”.

Er volgt stilte. Dan hoort hij in de stilte van zijn hart de milde stem van God, die teder tot hem spreekt: “bekeer je van het kwade en doe wat goed is; zoek vrede… en streef ernaar”.

vita_norb (09)